In deze bestuursrechtelijke belastingzaak ging het om de vraag of de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep was overschreden, waarbij belanghebbende aanspraak maakte op immateriële schadevergoeding.
Na een eerdere procedure waarbij de Rechtbank het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk verklaarde en deels gegrond, stelde de Staat hoger beroep in tegen de toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof onderzocht de termijn vanaf de terugwijzing van de zaak door het Hof naar de Inspecteur en stelde vast dat de redelijke termijn na terugwijzing in beginsel twee jaar bedraagt, omdat het geschil dan weer in volle omvang voorligt en zowel de bezwaarfase als de beroepsfase opnieuw doorlopen moeten worden.
Het Hof concludeerde dat de Rechtbank ten onrechte een immateriële schadevergoeding had toegekend, omdat de termijn niet was overschreden. De uitspraak van de Rechtbank werd vernietigd voor wat betreft de schadevergoeding en bevestigd voor het overige. Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade werd afgewezen.
De procedure werd gesloten zonder toewijzing van proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.