ECLI:NL:CRVB:2016:2019
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens vervallen procesbelang en schadevergoeding redelijke termijnoverschrijding
Appellant verzocht in 2005 om toestemming voor het vervangen van een discusprothese in een buitenlandse kliniek, welke aanvraag door CZ werd afgewezen. Na meerdere procedures en vernietigingen door rechtbank en Raad, bleek de kliniek niet meer te bestaan en was er consensus over alternatieve behandeling zonder noodzaak tot operatieve vervanging.
De Raad stelde vast dat het procesbelang van appellant was komen te vervallen omdat de oorspronkelijke aanvraag niet meer relevant was. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast behandelde de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure.
De Raad oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn significant was en dat de schadevergoeding deels voor rekening van CZ en deels voor rekening van de Staat kwam, vanwege de duur en complexiteit van de procedure en de rol van de rechterlijke instanties.
De Raad veroordeelde CZ tot betaling van €4.000,- en de Staat tot betaling van €1.500,- aan appellant. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en CZ en de Staat zijn veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.