Belanghebbende, militair uitgezonden naar Turkije en Italië, gaf zijn woning in Nederland op als eigen woning voor de inkomstenbelasting 2014 en 2015. Zijn dochter, die studeerde en tijdelijk in de woning verbleef, werd door de inspecteur aangemerkt als derde, waardoor de uitzendregeling niet van toepassing was. De rechtbank oordeelde echter dat de dochter tot het huishouden behoorde en wees de beroepen van belanghebbende toe.
In hoger beroep stelde de inspecteur dat de dochter als uitwonende studente een zelfstandig huishouden voerde en niet tot het huishouden van belanghebbende behoorde. Het hof bevestigde dit, overwegende dat de dochter in de studiestad ingeschreven stond en het grootste deel van de tijd daar verbleef. Ook het tijdelijk terugverhuizen naar de ouderlijke woning veranderde hier niets aan, omdat belanghebbende en zijn echtgenote in Italië woonden en de dochter haar eigen huishouden voerde.
Het hof verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel met betrekking tot de informatie op de website van de Belastingdienst, omdat de uitleg van belanghebbende onvoldoende was onderbouwd en de wettelijke tekst duidelijk was. Het hoger beroep van de inspecteur werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.