Belanghebbende was gedurende een uitzendperiode in het buitenland eigenaar van een woning die hij tijdelijk verhuurde. Voor het belastingjaar 2009 had hij de woning als eigen woning aangemerkt en renteaftrek geclaimd. De Inspecteur corrigeerde dit via een navorderingsaanslag omdat de woning tijdelijk was verhuurd.
De Rechtbank oordeelde dat de uitzendregeling ook na de tijdelijke verhuurperiode weer van toepassing was, waardoor de woning opnieuw als eigen woning kon worden aangemerkt. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad overwoog dat de tekst en toelichting van artikel 3.111, lid 6, Wet IB 2001, niet toestaan dat de uitzendregeling herleeft na een tijdelijke verhuur binnen de uitzendperiode. De regeling vereist dat de woning gedurende de uitzendperiode niet aan derden ter beschikking staat. De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de Rechtbank en verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.