Uitspraak
1.[belastingadviseurs en juristen] Belastingadviseurs en Juristen BV,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[accountants] Accountants BV,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/315869/ HA ZA 16-375)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, tevens eisvermeerdering, met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel tevens antwoord eisvermeerdering;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
- administratieve dienstverlening (zie hoofdstuk 2);
- samenstellen van de financiële informatie (zie hoofdstuk 3).”
- Concept akten naar cl. met begeleidende brief
- Concept overeenkomst van geldlening
- Concept overeenkomst pandrecht (…)
- overeenkomst van geldlening;
- akte houdende de vestiging van een stil pandrecht op zaken en vorderingen;
- overeenkomst van geldlening;
- akte houdende de vestiging van een stil pandrecht op zaken en vorderingen;
[appellanten]Advies, zelf voor verdere maandelijkse registratie van de pandakten en debiteurenlijsten zou zorgen. Daarmee was die registratie een verantwoordelijkheid van Previtech zelf. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, volgt uit de gemaakte afspraken niet dat op [appellanten] Advies ook de contractuele verplichting lag om maandelijks de registratie te controleren. [appellanten] Accountants was zoals gezegd als partij niet bij de overeenkomst van juridische dienstverlening omtrent de vestiging van het pandrecht op de vorderingen betrokken. Het behoorde alleen al om die reden niet tot haar taak om in het kader van de controle van de boekhouding van Previtech, die zij verrichtte op grond van de afzonderlijk met Previtech gesloten overeenkomst van dienstverlening d.d.12 juni 2013, te controleren of Previtech de maandelijkse registratie van haar pandrechten op een juiste wijze verrichtte.
bij de huidige stand van zaken’tot levering van de vorderingen bevoegd was. De curator hield er dus rekening mee dat alsnog kon blijken dat weldegelijk een geldig pandrecht was gevestigd. Dat weerhield hem er niet van om in het kader van de doorstart tot levering van de debiteurenportefeuille over te gaan. Uit zijn e-mail van 6 februari 2015 aan mr. [Senior jurist van Advies] blijkt dat de curator zich op grond van de uitspraak van de Hoge Raad inzake ING/Verdonk bevoegd achtte om tot incassering van de vorderingen over te gaan, ook in het geval dat een derde aanspraak maakt op een pandrecht. Het hof acht het in het licht van de gebeurtenissen die zich na februari 2015 hebben voorgedaan niet waarschijnlijk dat de curator van het ondertekenen van de doorstartovereenkomst, en in dat kader van het leveren van de debiteuren, zou hebben afgezien, indien mr. [Senior jurist van Advies] hem zou hebben bericht dat volgens haar op grond van de uitspraak van de HR van 29 juni 2001 (NJ 2001/662; Meijs q.q./Bank of Tokyo Mitshubishi) met alleen de debiteurenlijsten een geldig pandrecht was gevestigd. Zoals door [appellanten] terecht is aangevoerd, heeft de curator zich, blijkens het verzoekschrift d.d. 20 juli 2015 van mr. Ernste aan de rechter-commissaris in het faillissement van FMS, nog op 1 juli 2015 - en dus na de erkenning door hem van het pandrecht - op het standpunt gesteld dat hij ondanks het bestaan van een geldig pandrecht in februari tot verkoop van de debiteurenportefeuille bevoegd was geweest op grond van de uitspraak van de HR van 22 juni 2007 (NJ 2007/520; ING/Verdonk). Kennelijk bracht volgens de curator deze uitspraak mee dat hij in zijn hoedanigheid, ondanks het bestaan van het pandrecht van Previtech, op 6 feburari 2015 tot uitwinning bevoegd was. Gezien deze opstelling van de curator na 1 juli 2015, en gezien het feit dat hij zich ook in zijn e-mail van 6 februari 2015 op het arrest ING/Verdonk had beroepen, is het niet waarschijnlijk dat hij op 6 februari 2015 van de verkoop van de vorderingen, en daarmee van de doorstart, had afgezien indien mr. [Senior jurist van Advies] uiterlijk 6 februari 2015 aan de curator had medegedeeld dat Previtech haars inziens een geldig pandrecht op de vorderingen had.