Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met als productie het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg op 27 maart 2018.
6.De beoordeling
zich niet bewust was, van de nieuwe regel- en wetgeving wat is doorgevoerd in feb 2017 en maart 2017 m.b.t. gemeentelijk beleid o.a.: de kamers moeten minimaal 20 m2 zijn”, dat [appellante] “
wel de verantwoordelijkheid neemt, omtrent het bovenstaande en genoemde feiten”. Verder volgt uit de brief dat [appellante] in een zeer moeilijke financiële positie terecht is gekomen door de investering die zij in het huis heeft gedaan om alle kamers en de zolderverdieping gereed te maken voor verhuur. Het gaat om een “
grote investering, zonder resultaat om deze terug te verdienen”. In de brief wordt een schikkingsvoorstel gedaan dat mede is “
gebaseerd op de zeer slechte financiële positie waarin Mevr. [appellante] zich momenteel bevindt, en ook zeer lang gaat duren, mede door de investering, waardoor schulden zijn, en ook afgelost moeten worden”.
mei tot en met augustus 2017 en de helft van de maand april 2017;
helft van de maand geen woongenot heeft gehad;
€ 445,54 aan buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw) en tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom en de buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
€ 500,- waarborgsom) en een bedrag van € 410,06 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 december 2017. Voorts heeft de kantonrechter [appellante] veroordeeld in de proceskosten van de conventie. De vorderingen in reconventie heeft de kantonrechter afgewezen, omdat de voorwaarde waaronder de eis in reconventie was ingesteld, niet was vervuld. De kantonrechter heeft in reconventie geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
voert nog aan dat de brief van de gemeente niet voorzienbaar was, omdat er sprake was van een plotselinge koerswijziging van de gemeente. Uit de brief van de gemeente van 30 maart 2017 volgt echter dat de gemeente haar beleid al met ingang van 22 juli 2016 heeft gewijzigd. Van [appellante] mocht verwacht worden, alvorens tot verhuur over te gaan, te informeren bij de gemeente of verhuur van de betreffende ruimtes was toegestaan. Er is niet gesteld of gebleken dat [appellante] op dit punt enig onderzoek heeft gedaan. Dat komt voor haar rekening. Gelet op het voorgaande is hof van oordeel dat toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden niet tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt.