ECLI:NL:GHSHE:2020:1064

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 maart 2020
Publicatiedatum
24 maart 2020
Zaaknummer
200.269.941_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 339 lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring in hoger beroep civiele zaak

In deze civiele hogerberoepsprocedure staat een incident tot oproeping in vrijwaring centraal. De vennootschap, rechtsopvolgster van Air Liquide Welding Nederland B.V., verzocht het hof om toestemming om partijen die in eerste aanleg in vrijwaring waren opgeroepen opnieuw te dagvaarden in hoger beroep. Dit verzoek werd gedaan nadat de vordering tot vrijwaring in eerste aanleg was afgewezen vanwege de afwijzing van de hoofdvordering.

Het hof verwijst naar artikel 339 lid 5 Rv Pro, dat bepaalt dat hoger beroep tegen een vrijwaringsvordering openstaat tot het moment dat in de hoofdzaak in hoger beroep de conclusie van antwoord wordt genomen. Gezien het gesloten stelsel van rechtsmiddelen is het niet toegestaan om in hoger beroep een nieuwe incidentele vordering tot vrijwaring in te stellen die partijen opnieuw oproept.

Daarom wijst het hof de vordering van de vennootschap af en veroordeelt haar in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt aangehouden en verwezen naar een latere rolzitting voor verdere behandeling van het incidenteel appel van appellant. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2020.

Uitkomst: De incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring wordt afgewezen en de vennootschap wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.269.941/01
arrest van 24 maart 2020
gewezen in het incident tot oproeping in vrijwaring
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal appel, verweerder in incidenteel appel in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna aan te duiden als: [appellant] ,
advocaat: mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam,
tegen
[de vennootschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna aan te duiden als: [de vennootschap] ,
advocaat: mr. A.C. de Voogd te Breda,
op het bij exploot van dagvaarding van 6 augustus 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 mei 2019, gewezen tussen [appellant] als eiser en Air Liquide Welding Nederland B.V. als gedaagde.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6218728 CV EXPL 17-3657)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de incidentele memorie tot oproeping in vrijwaring, tevens memorie van antwoord in principaal appel, alsmede memorie van grieven in incidenteel appel van [de vennootschap] ;
  • de memorie tot referte van [appellant] .
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest in het incident.

3.De beoordeling

In het incident
3.1.
[de vennootschap] vordert in dit incident haar toe te staan om [de Groep] Groep B.V. en ASR Nederland N.V., welke partijen in eerste aanleg eveneens in vrijwaring waren opgeroepen, te dagvaarden teneinde op de eis tot vrijwaring te antwoorden en voort te procederen en om haar toe te staan een akte te nemen op een nader te bepalen roldatum teneinde de door [de Groep] Groep B.V. en/of ASR Nederland N.V. naar voren gebrachte standpunten, weren en eventuele aanvullende producties in hun memorie van antwoord in vrijwaring in de hoofdzaak in te gelasten.
3.2.
[appellant] refereert zich kort gezegd aan het oordeel van het hof.
3.3.
Op grond van de overgelegde stukken stelt het hof vast dat Air Liquide Welding Nederland B.V., de gestelde rechtsvoorgangster van [de vennootschap] , in eerste aanleg, na daartoe bij vonnissen in het incident van 1 en 22 november 2017 verkregen verlof, [de Groep] Groep B.V. en ASR Nederland N.V. in vrijwaring heeft opgeroepen en dat de vordering in de vrijwaringszaak bij vonnis van 15 mei 2019 (met zaak/rolnummer 6512642 CV EXPL
17-5617) is afgewezen op grond van de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak.
3.4.
Artikel 339 lid 5 Rv Pro bepaalt dat indien in eerste aanleg een vordering tot vrijwaring geheel of gedeeltelijk is afgewezen op grond van de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, het hoger beroep daartegen openstaat tot het moment dat in de hoofdzaak in hoger beroep de conclusie van antwoord wordt genomen. Gelet op de in de vrijwaringsprocedure door de kantonrechter gegeven afwijzingsgrond, is het hof van oordeel dat [de vennootschap] , ervan uitgaande dat zij kan worden beschouwd als de rechtsopvolgster van Air Liquide Welding Nederland B.V., op grond van de aangehaalde bepaling in hoger beroep had moeten komen van het vonnis in de vrijwaringszaak. Gezien het gesloten stelsel van rechtsmiddelen is het niet mogelijk om in de onderhavige hoofdzaak een incidentele vordering in te stellen om [de Groep] Groep B.V. en ASR Nederland N.V. als het ware opnieuw "voor het eerst" in vrijwaring op te roepen (zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7189 en HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7496).
3.5.
Het voorgaande betekent dat de incidentele vordering zal worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [de vennootschap] worden veroordeeld in de kosten van het incident.
In de hoofdzaak
3.6.
De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord in incidenteel appel aan de zijde van [appellant] . Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident:
wijst de vordering van [de vennootschap] af;
veroordeelt [de vennootschap] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van [appellant] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 1.074,-- aan salaris advocaat (1 punt liquidatietarief II);
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 12 mei 2020 voor memorie van antwoord in incidenteel appel aan de zijde van [appellant] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 maart 2020.
griffier rolraadsheer