Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
nderhoudsverplichting [andere zoon]
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak is het hoger beroep ingesteld door de man tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake kinderalimentatie voor zijn minderjarige kind, dat bij de vrouw verblijft. Het geschil betreft met name de ingangsdatum van de alimentatie en de draagkracht van de man.
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en stelt de ingangsdatum van de alimentatie vast op 24 augustus 2018, de datum van indiening van het verzoekschrift. De behoefte van het kind wordt vastgesteld op €143 per maand in 2018, verhoogd naar €145,86 in 2019, waarbij bijzondere kosten niet worden meegenomen wegens onvoldoende onderbouwing.
De draagkracht van de man wordt berekend op basis van zijn inkomen, waarbij forfaitaire woonlasten worden gehanteerd en geen rekening wordt gehouden met opgevoerde schulden vanwege gebrek aan bewijs en onvoldoende inzicht. De man is tevens onderhoudsplichtig voor een ander kind, wat in mindering wordt gebracht op zijn draagkracht.
Het hof bepaalt de kinderalimentatie voor de man op €68,55 per maand voor de periode van 24 augustus tot 31 december 2018 en op €108,24 per maand voor 2019, met een indexering naar €110,95 vanaf 2020. Eventuele teveel betaalde bedragen kunnen door de man worden verrekend met toekomstige betalingen tot maximaal €25 per maand. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.
Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot het betalen van kinderalimentatie van €68,55 per maand vanaf 24 augustus 2018, oplopend tot €110,95 vanaf 2020, met verrekening van teveel betaalde bedragen tot maximaal €25 per maand.