Belanghebbende, een vennootschap actief in elektriciteitsproductie, had bezwaar gemaakt tegen de kolenbelastingaanslagen over oktober en november 2015. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het gerechtshof.
Het geschil spitste zich toe op twee vragen: of de afschaffing van de vrijstelling uit artikel 44, lid 2, van de Wet belastingen op milieugrondslag per 1 januari 2013 in strijd is met Unierecht, en of vocht en as buiten de maatstaf van heffing moeten blijven. Het hof oordeelde dat beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord.
Tijdens de procedure ontstond een discussie over de tijdigheid van ingediende stukken, waarbij het hof concludeerde dat de stukken tijdig waren ingediend en voor rekening van de Inspecteur kwam dat deze niet tijdig waren ontvangen. Het hof zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU.
Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees de vorderingen van belanghebbende af. Tevens werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen. De uitspraak werd op 16 januari 2020 uitgesproken door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.