Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2020:132

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 januari 2020
Publicatiedatum
16 januari 2020
Zaaknummer
18/00711 en 18/00712
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 lid 2 WbmArt. 8:58 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake kolenbelasting en Unierechtelijke toetsing vrijstelling

Belanghebbende, een vennootschap actief in elektriciteitsproductie, had bezwaar gemaakt tegen de kolenbelastingaanslagen over oktober en november 2015. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het gerechtshof.

Het geschil spitste zich toe op twee vragen: of de afschaffing van de vrijstelling uit artikel 44, lid 2, van de Wet belastingen op milieugrondslag per 1 januari 2013 in strijd is met Unierecht, en of vocht en as buiten de maatstaf van heffing moeten blijven. Het hof oordeelde dat beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord.

Tijdens de procedure ontstond een discussie over de tijdigheid van ingediende stukken, waarbij het hof concludeerde dat de stukken tijdig waren ingediend en voor rekening van de Inspecteur kwam dat deze niet tijdig waren ontvangen. Het hof zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU.

Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees de vorderingen van belanghebbende af. Tevens werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen. De uitspraak werd op 16 januari 2020 uitgesproken door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep van belanghebbende af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Kenmerk: 18/00711 en 18/00712
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 13 november 2018, nummer BRE 16/1047 en 16/1048 in het geding tussen
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de Inspecteur,
betreffende de hierna vermelde voldoeningen op aangiften.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft over de tijdvakken oktober 2015 en november 2015 aangiften kolenbelasting gedaan voor een bedrag van € 521.654 respectievelijk € 481.882 en de kolenbelasting voldaan. Tegen deze voldoeningen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
1.2.
Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 334. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.3.
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 334.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Op grond van artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 september 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende, [A] en [B] , en als gemachtigden van belanghebbende, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , beiden verbonden aan [kantoornaam] , [C] , verbonden aan [D] , tot hun bijstand vergezeld van [E] en [F] , beiden verbonden aan [G] en [H] , verbonden aan [J] , alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.6.
Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.
1.7.
Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:
2.1.
Belanghebbende is een gemeenschappelijke vennootschap van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . [bedrijf 1] bezit 30% en [bedrijf 2] 70% van de aandelen in belanghebbende. Belanghebbende is in Nederland actief op het gebied van de productie en verkoop van elektriciteit. Belanghebbende exploiteerde in de onderhavige periode naast de enige kerncentrale van Nederland, een kolencentrale en een windturbinepark. De kolencentrale werd hoofdzakelijk gestookt op steenkool. De kolencentrale is in november 2015 gesloten.

3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Is de afschaffing van de vrijstelling uit artikel 44, lid 2, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) per 1 januari 2013 in strijd met Unierecht?
II. Indien vraag I ontkennend moet worden beantwoord: Dient voor bepaling van de hoogte van de kolenbelasting het vocht en de as buiten de maatstaf van heffing te blijven?
Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
3.2.
Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zittingen is toegevoegd, wordt verwezen naar de van deze zittingen opgemaakte processen-verbaal.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar alsmede tot, primair, teruggaaf van hetgeen op de aangiften aan kolenbelasting is voldaan en subsidiair teruggaaf van een bedrag van € 105.896 respectievelijk € 99.322. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Gronden

Vooraf
4.1.
De Inspecteur heeft tijdens het onderzoek ter zitting gesteld de onder randnummer 1.4 bedoelde stukken niet van het Hof te hebben ontvangen. De Inspecteur heeft deze vervolgens tijdens het onderzoek ter zitting overhandigd gekregen van de griffier.
4.2.
De Inspecteur heeft bezwaar aangetekend tegen het tot de gedingstukken rekenen van de onder randnummer 1.4 bedoelde stukken, omdat hij door die stukken was overvallen en niet in de gelegenheid was geweest daarvan kennis te nemen. Ook na schorsing van de zitting, om de Inspecteur de tijd te geven kennis te nemen van die stukken, heeft de Inspecteur gesteld dat de stukken te laat waren ingediend en dat de stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten blijven.
4.3.
Daarop heeft het Hof de Inspecteur voorgehouden dat de voorzitter van de Kamer bij de griffie had geïnformeerd naar die stukken, omdat de (aan hem) in kopie verstrekte fax van 6 september 2019 onvolledig was. Daarop bleek dat op de griffie de stukken inmiddels ook per post waren binnengekomen en volledig waren. Het Hof heeft tijdens het onderzoek ter zitting de Inspecteur voorgehouden dat de voorzitter daarop heeft waargenomen dat de griffiemedewerker uit de aan het postbedrijf aan te bieden zending de brief aan de Inspecteur van 9 september 2019, met als bijlage een kopie van de (onvolledige) fax, heeft gehaald en de per post binnengekomen stukken, die wel volledig waren, in kopie bij de brief heeft gevoegd en de brief met de (nieuwe) bijlage weer heeft gestopt in de aan het postbedrijf aan te bieden zending. Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat deze brief was geadresseerd aan het door de Inspecteur opgegeven adres heeft het Hof tijdens het onderzoek ter zitting als voorlopig oordeel uitgesproken dat de onder randnummer 1.4 bedoelde stukken tijdig zijn ingediend en wel tot de gedingstukken worden gerekend. [1] Als voorlopig oordeel heeft het Hof aangenomen, dat er iets bij de Belastingdienst was misgegaan.
4.4.
Gesteld noch gebleken is dat de vorenbedoelde brief niet ter postbezorging zou zijn aangeboden. Dan volgt uit de juiste adressering het vermoeden dat die brief door de Inspecteur is ontvangen. [2] Dit vermoeden is door de Inspecteur niet ontzenuwd. Het Hof is van oordeel dat de omstandigheid dat door belanghebbende (anders dan de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting heeft verdedigd:) tijdig ingezonden stukken na doorzending door het Hof de Inspecteur (door wellicht interne organisatorische problemen) niet bereiken voor rekening en risico van de Inspecteur komt.
4.5.
De onder randnummer 1.4 bedoelde stukken worden tot de gedingstukken gerekend.
Ten aanzien van het geschil
Vragen I en II
4.6.
De Rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing genomen.
4.7.
Vragen I en II moeten ontkennend worden beantwoord.
Slot
4.8.
Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg ziet het Hof geen aanleiding.
Slotsom
4.9.
Het gelijk is aan de zijde van de Inspecteur. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
Ten aanzien van het griffierecht
4.10.
Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.
Ten aanzien van de proceskosten
4.11.
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het Hof
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Aldus gedaan op 16 januari 2020 door P. Fortuin, voorzitter, J.M. van der Vegt en D.A. Hofland, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
een dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1175.
2.HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416 en HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268.