Werknemer trad op 1 februari 2019 in dienst bij werkgever voor twaalf maanden. Op 22 december 2019 werd werknemer op staande voet ontslagen wegens niet verschijnen op het werk. Werknemer stelde dat het ontslag niet rechtsgeldig was en vorderde in kort geding betaling van achterstallig loon. De kantonrechter oordeelde op 21 februari 2020 dat het ontslag voorshands niet standhoudt en veroordeelde werkgever tot betaling van loon.
Werkgever kwam hiertegen in hoger beroep en verzocht om schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis, stellende dat een nieuw feit – het verstrijken van de vervaltermijn voor vernietiging van het ontslag – niet door de kantonrechter kon zijn meegewogen. Tevens wees werkgever op een groot restitutierisico vanwege de schulden van werknemer en mogelijke beslaglegging.
Het hof overwoog dat het nieuwe feit rechtvaardigt af te wijken van het uitgangspunt dat een veroordeling uitvoerbaar moet zijn tijdens hoger beroep. Het belang van werkgever bij behoud van de bestaande toestand weegt zwaarder dan het belang van werknemer bij onmiddellijke uitvoering, mede omdat werknemer geen tegenbewijs leverde en een inkomen geniet.
Het hof schorst daarom de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis van 21 februari 2020 en houdt de beslissing over proceskosten aan. De hoofdzaak blijft in behandeling en verdere beslissingen worden aangehouden.