Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/320428 / HA ZA 17-283)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met een productie en eiswijziging;
- de memorie van antwoord met een productie;
- de akte van [appellant] ;
- de antwoordakte van de Gemeente.
3.De beoordeling
Uit artikel 33 van Pro de Wet op de Ruimtelijke ordening (de herzieningsplicht voor het bestemmingsplan) volgt dat wij over een aantal jaren een nieuw (geactualiseerd) ruimtelijk beleidskader voor [plaats] zullen moeten gaan opstellen. Hierin zal ook de toekomstige ontwikkelingsrichting van de woningbouw worden meegenomen.
Het college heeft op diverse momenten zowel schriftelijk als mondeling duidelijk verwoord dat het college, gezien de achtergrond van het verzoek, bereid is een inspanningsverplichting op zich te nemen mits initiatiefnemer[hof: [appellant] ]
voldoet aan de gestelde voorwaarden, zoals die zijn vastgelegd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en in het door de gemeente vastgestelde beleid, zoals betaling van leges, bijdragen Groen- en Cultuurfonds, enz..[…]”
alsnogmedewerking te verlenen aan de door [appellant] gewenste bestemmingsplanwijziging door alsnog af te wijken van het bestemmingsplan, of alsnog de bestemming (bij de eerstvolgende reguliere herziening van het bestemmingsplan) te wijzigen, kan [appellant] eveneens door de bestuursrechter laten toetsen. Daarbij merkt het hof op dat de weg naar de bestuursrechter voor [appellant] zowel openstaat indien het gewenste besluit niet genomen wordt (vgl. art. 6:2 Awb Pro), als in het geval dat hij van oordeel is dat het door het bestuursorgaan genomen besluit niet beantwoordt aan de overeenkomst (zie ook rov. 3.6.3. van HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3057.)