Uitspraak
gevestigd te Volendam,
mr. J.F. de Groot,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
16 juni 2017.
Hoge Raad
De Rederij Volendam-Marken Express B.V. vorderde vernietiging van overeenkomsten met de Gemeente Waterland over de dagtoeristenbelasting, stellende dat deze nietig zijn op grond van art. 3:40 BW Pro. De rechtbank wees de vordering af, het hof verklaarde de Rederij niet-ontvankelijk omdat de belastingrechter exclusief bevoegd is.
De Rederij stelde dat de burgerlijke rechter bevoegd moest zijn omdat het ging om de toetsing van de geldigheid van overeenkomsten waarin publiekrechtelijke bevoegdheden werden uitgeoefend. De Hoge Raad oordeelde dat de belastingrechter bevoegd is om de aanslagen en de daaraan ten grondslag liggende overeenkomsten te toetsen, ook op grond van art. 3:40 BW Pro.
De Hoge Raad benadrukte dat partijen niet vrij kunnen kiezen voor de burgerlijke rechter als de wet een gespecialiseerde fiscale rechtsgang met voldoende waarborgen voorschrijft. Ook het beding waarin de Rederij afzag van bezwaar en beroep tegen de aanslagen doet hieraan niet af.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de Rederij in de kosten van het geding. Hiermee is bevestigd dat de belastingrechter exclusief bevoegd is voor geschillen over aanslagen en de onderliggende overeenkomsten, ook bij betwisting van nietigheid op civielrechtelijke gronden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de belastingrechter exclusief bevoegd is om te oordelen over de nietigheid van overeenkomsten die ten grondslag liggen aan aanslagen dagtoeristenbelasting en wijst het cassatieberoep af.