Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende was bestuurder van een BV die naheffingsaanslag omzetbelasting over 2011 niet betaalde. De BV deed grotendeels nihil-aangiften, ondanks een factuur met een aanzienlijk bedrag aan omzetbelasting. De bankrekeningen werden in oktober 2011 geblokkeerd en de BV verkeerde in betalingsonmacht.
De Belastingdienst stelde belanghebbende aansprakelijk voor de niet-betaalde omzetbelasting. Belanghebbende voerde aan dat hij niet aansprakelijk was en dat de regeling in strijd was met het EVRM en het Handvest van de EU. Het Hof oordeelde dat de grove schuld van de BV en belanghebbende zelf de oorzaak was van de onjuiste aangifte en dat belanghebbende niet kon volstaan met een nihil-aangifte.
De regeling van artikel 36 lid 4 Invorderingswet Pro, die de bestuurder aansprakelijk stelt bij grove schuld, werd niet in strijd geacht met fundamentele rechten. Het hoger beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aansprakelijkstelling bevestigd.