Uitspraak
[X]te
[Z], België(hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 2 november 2012, nr. 11/00682, betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990.
Hoge Raad
Belanghebbende, enig bestuurder van een BV die onroerende zaken exploiteerde, werd aansprakelijk gesteld voor niet-betaalde omzetbelasting over 2006-2007. De BV had de aangiften verzorgd via een accountantskantoor dat fouten maakte, waardoor te weinig belasting werd aangegeven en voldaan. Het hof oordeelde dat de grove schuld van het accountantskantoor aan de BV kon worden toegerekend en dat de melding van betalingsonmacht niet tijdig was gedaan, waardoor de bestuurder aansprakelijk bleef.
De Hoge Raad bevestigt dat grove schuld van het accountantskantoor aan de BV kan worden toegerekend voor toepassing van de Invorderingswet, maar oordeelt dat deze toerekening niet zonder meer aan de bestuurder kan worden tegengeworpen in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid. De bestuurder kan zich op grond van artikel 36, lid 4, Invorderingswet verdedigen door aannemelijk te maken dat het niet tijdig melden van betalingsonmacht niet aan hem is te wijten.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. Tevens worden proceskosten toegewezen aan belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.