Belanghebbende deed aangifte voor de registratie van een tweedehands Bentley Bentayga met een catalogusprijs van €324.122 en betaalde BPM op basis van een afschrijving van 54,09%. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op van €28.642 met een afschrijvingstabel van 14%, die na bezwaar werd verminderd tot €16.797 met een afschrijving van 30,58%.
Belanghebbende stelde dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel was geschonden omdat hij niet was gehoord voor het opleggen van de naheffingsaanslag. Het hof erkende deze schending, maar oordeelde dat dit niet tot nietigverklaring leidt omdat het aanslagbedrag zonder deze onregelmatigheid niet anders zou zijn vastgesteld.
Verder oordeelde het hof dat de door de inspecteur gehanteerde afschrijving van 30,58% niet te laag was, mede omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat een lager percentage passend was. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat dit verzoek niet tijdig en aannemelijk was ingediend.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.