Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
9.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 3 december 2019;
- de akte na tussenarrest van VGZ van 17 december 2019;
- het proces-verbaal van de op 21 januari 2020 gehouden enquête;
- de memorie van [appellante] van 25 februari 2020;
- de memorie van VGZ van 14 april 2020;
- het bericht van het hof aan partijen van 23 juni 2020 dat raadsheer Stienissen wordt vervangen door raadsheer Frakes en dat partijen binnen twee weken kunnen verzoeken om een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van de nieuwe combinatie van raadsheren. Van deze gelegenheid hebben partijen geen gebruik gemaakt, zodat het hof ervan uitgaat dat zij ervan hebben afgezien om deze zaak opnieuw mondeling te laten behandelen ten overstaan van de combinatie die in de zaak einduitspraak doet.
10.De verdere beoordeling
Boodschappen doen en eten koken merkt het hof slechts aan als ‘passende zorg’ indien en voor zover het gaat om begeleiding daarbij van [hulpbehoevende 1] en/of [hulpbehoevende 2] , nu VGZ heeft toegelicht dat deze activiteiten alleen in dat geval onder een PGB categorie kunnen vallen.
[appellante] heeft verklaard dat de heer [hulpbehoevende 2] in deze periode constant in bed lag en aan het eind niet meer kon slikken. Over [hulpbehoevende 1] heeft [appellante] verklaard dat zij [hulpbehoevende 2] nadeed in deze periode, ook bedlegerig werd, vaak viel en niet meer naar het toilet ging.
Ik ben ingehuurd bij het echtpaar begin 2011. Vanuit Stichting Josef, daar was ik in dienst. Toen heb ik kennisgemaakt met mevrouw [appellante] en het echtpaar. Meneer was bijna terminaal, hij ging met de dag achteruit en deed alles op bed ook poepen en plassen. Ik vond het heftig. De zorg was zwaar, ik was daar drie keer per dag en in het weekend. Ik heb dat lang achter elkaar gedaan om er voor die mensen te zijn. De nachten deed ik niet, dat was te veel. Die nam [appellante] af en toe over. Ik heb meneer op bed verzorgd, haren gekamd, gedoucht, gekookt en ik ben naar buiten gegaan met mevrouw. Ik heb mevrouw ook begeleid met douchen om te voorkomen dat ze zou vallen. Ik heb soep gekookt en stamppot en deed boodschappen.
Het hof heeft de verklaring van [appellante] dat zij slechts af en toe zou overnachten tijdens de comparitie in hoger beroep waarnaar VGZ verwijs zo begrepen dat die verklaring de periode betrof waarin de heer [hulpbehoevende 2] nog niet terminaal was. Deze toelichting doet daarom naar het oordeel van het hof niet af aan het voorgaande.
In 2009 bestond de zorg aan mevrouw [hulpbehoevende 1] uit persoonlijke verzorging, dat betrof wassen, aankleden, wekelijks de haren wassen en föhnen (de kapper kwam maar één keer in de maand), elke avond voeten inbinden, soms verschonen en teennagels bijhouden. Daarnaast had zij wel eens beroertes, dat begon toen dan werd de verzorging intensiever, verder hield ik bij of mevrouw haar medicijnen ’s ochtends had genomen dat deed ik bijna elke dag door te controleren of de bekster leeg was. Mevrouw was in die tijd soms al in de war, ik waakte over haar of het goed ging
In 2010 is de zorg voor mevrouw [hulpbehoevende 1] niet zoveel gewijzigd maar wel intensiever geworden, dat betekent meer uren en zij lag meer in bed en was daardoor lastiger te verzorgen. Ze was vaker niet lekker. Ik kwam toen bijna elke dag in plaats van drie of vier keer in de week. In 2010 hoorde mevrouw [hulpbehoevende 1] dat haar man kanker kreeg en werd zij mentaal slechter.
uit veel begeleiding, meneer had veel afspraken controles bij artsen en in het oogziekenhuis. Zijn netvlies liet los het vastzetten ervan is een paar keer mislukt hij is drie of vier keer geopereerd. Hij kon geen auto meer rijden, wij moesten hem overal heenbrengen bijvoorbeeld ook bij het boodschappen doen, meneer was koppig en als hij wilde dan ging hij boodschappen doen. Dat ging vaak niet goed omdat hij niet goed kon zien en fysiek zwak was, hij was enorm afgevallen. Het is één keer gebeurd dat ik werd gebeld vanuit het winkelcentrum om hem op te halen. Op een gegeven moment mocht hij niet meer alleen en gingen wij mee. Dat was ik en of mijn broertje, en misschien ook [roepnaam] ( [getuige 1] ) dat weet ik niet zeker. Wij haalden zelf boodschappen en soms nam ik meneer mee met de rollator. Dat duurde heel lang en ging moeizaam. Daarnaast bestond de zorg uit wassen en aankleden. Hij had panchreatitis waarvoor hij in 2010 twee weken in het ziekenhuis opgenomen is geweest. Daarna was hij een periode niet lekker en hij had longkanker. Alles bij elkaar was de zorg heel intensief zo is bijvoorbeeld mevrouw [hulpbehoevende 1] een keer mee geweest naar het oogziekenhuis met meneer [hulpbehoevende 2] en daar gevallen, bewusteloos geraakt en ook opgenomen met hele hoge bloeddruk. Daarna ben ik met hen teruggereden, meneer net geopereerd en mevrouw liggend op de achterbank zonder gordel. Als ik er aan terug denk dan was het heel zwaar. Meneer is in 2010 een paar keer naar de dagbesteding geweest in [locatie 1] . Hij vond dat wel leuk, maar mevrouw [hulpbehoevende 1] was jaloers en wilde niet dat hij ging zij is één of twee keer mee geweest maar vond het zelf niet leuk en hield hem tegen. Hetzelfde gold voor de dagbesteding in de flat. Op een gegeven moment had hij de fut er ook niet meer voor.”
Zij hadden constant aansturing nodig, wassen en aankleden kostte mij ongeveer anderhalf uur, meer zelfs. Zij hadden meer zorg nodig dan dat er uren waren toegekend ik was er veel vaker dan het aantal uren dat ik heb opgegeven. Ik heb de opgegeven uren afgestemd op wat er aan uren was toegekend.”
Ik was betrokken bij met name de begeleiding van [hulpbehoevende 2] . (…) De begeleiding bestond uit mee naar het ziekenhuis halen en brengen naar afspraken. Hij is een paar keer geopereerd geweest aan zijn oog. Ik ben 5 à 6 keer mee geweest naar het ziekenhuis voordat hij kanker kreeg. Verder deed ik dagbesteding wij deden samen bijvoorbeeld spelletjes of ik ging met hen naar buiten bijvoorbeeld boodschappen doen. Ik werd hiervoor betaald door [Zorg & Activering] . Eind 2010 had meneer [hulpbehoevende 2] meer persoonlijke verzorging nodig en veranderde de zorg. (…) Hoe vaak zij in de periode daarvoor zorg verleende dat weet ik niet meer, zij was wel vaker aanwezig dan nodig. Zij waren opa en oma, [appellante] verbleef daar vaak.(…)
Ik zat bij [Zorg & Activering] op kantoor en deed geen dagbesteding of verzorging. Ik heb kennis gemaakt met meneer [hulpbehoevende 2] en mevrouw [hulpbehoevende 1] , ik heb ze gezien bij de dagbesteding en kwam ze een keer buiten tegen op het [locatie 2] in [woonplaats van de hulpbehoevenden] Noord. Ik heb ook voor hen aanvragen gedaan en een brief naar het zorgkantoor gezonden en het overlijden gemeld.
Daarmee is wel ontzenuwd dat geen passende zorg is verleend op deze onderdelen, maar niet dat niet steeds passende zorg is verleend voor de bedragen die [appellante] hiervoor heeft gedeclareerd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [appellante] heeft verklaard de gedeclareerde uren te hebben afgestemd op wat er aan uren was toegekend.
om € 112.635,91 te betalen (beslissing onder 3.1) en acht het hof opnieuw rechtdoende de vordering van VGZ - alleen - toewijsbaar tot 45 procent van de over 2009 en 2010 voor [hulpbehoevende 1] en [hulpbehoevende 2] uitgekeerde PGB-gelden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2013 tot aan de dag der voldoening.