Belanghebbende, woonachtig in Duitsland en werkzaam in zowel Nederland als Duitsland, was het gehele jaar premieplichtig in Nederland. De discussie betrof de berekening van het premiedeel van de algemene heffingskorting over het jaar 2015. Belanghebbende stelde dat de afbouw van de heffingskorting moest worden gebaseerd op het in Nederland belastbare inkomen uit werk en woning, terwijl de inspecteur uitging van het wereldwijd verdiende premie-inkomen.
Het hof oordeelde dat het premiedeel van de algemene heffingskorting moet worden berekend op basis van het wereldinkomen, conform de wettelijke bepalingen inzake premieheffing. Dit voorkomt een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen met hetzelfde premie-inkomen en sluit aan bij de draagkrachtgedachte.
Verder verwierp het hof het beroep op het vertrouwensbeginsel door belanghebbende, omdat er geen sprake was van een expliciet beleidsstandpunt van de inspecteur in 2014 en de eerdere toepassing van het belastbare inkomen in Nederland berustte op een systeemfout. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.