Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (rol/zaaknummer 312274/HA ZA 16-592)
2.Het geding in hoger beroep
3.3. De beoordeling
“Omschrijving: Duiker dichtzetten in Kleine WeteringDoor: [naam]Datum afhand.: 16-08-2010Opmerkingen: Afsluiter dichtgezet.”
“Omschrijving: Peil verlagen tpv Werststeeg Berlicum
- 01 januari 2010 320cm;
“Bodem maaien Hoefse Vonder naar Koolhof”en op 31 augustus 2010:
“Bodemmaaien/scheppen WL 2050062 Hooghei”.
“In mijn ogen heeft het Waterschap een te hoog waterpeil aangehouden in de primaire watergang naast het perceel aardappelen waardoor het regenwater is opgestuwd en opgehouden waardoor het perceel gedeeltelijk is geïnundeerd met water. Dit heeft blijkbaar enkele dagen geduurd waardoor veel aardappelen, en zeker die onderin de rug zaten en of dicht bij de watergang stonden, weggerot zijn. Het is van aardappelen bekend dat ze bij 24 uur of langer onder water staan door zuurstofgebrek geen[hof: gaan]
rotten en verloren gaan voor de verkoop
Bargerbeek)heeft geformuleerd. Het Waterschap heeft dit bestreden en gesteld dat de rechtbank met het vonnis van 29 maart 2017 niet vooruit heeft willen lopen op de definitieve afbakening van het te hanteren toetsingskader en dat de rechtbank in het vonnis van 12 december 2018 bij de beoordeling van de zorgplicht van het Waterschap het juiste toetsingskader heeft gehanteerd door in rov. 2.5 te overwegen:
“De civiele rechter moet toetsen of een waterschap, in aanmerking genomen de concrete omstandigheden van het geval, de verschillende bij zijn beleid betrokken belangen en zijn beperkte middelen, beneden de zorg van een goed waterbeheerder gebleven is”.
(Bargerbeek);HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2813
(West-Friesland) enHR 9 november 2001, ECLI:HR:2001:AD5302
(Rijnstromen)) blijkt dat de in het algemeen te hanteren maatstaf is of een waterschap, gezien de concrete omstandigheden van het geval, de verschillende bij het beleid betrokken belangen en de beperkte middelen, beneden de zorg van een goed beheerder is gebleven. Hoe ver de onderhoudsplicht van een waterschap gaat ter vermijding van het onder water lopen van gronden door verstopping van waterwegen, hangt van verschillende factoren af. Bij het uitoefenen van zijn onderhoudsplicht heeft een waterschap een zekere beleidsvrijheid maar die gaat niet zo ver dat het optreden van een waterschap slechts marginaal zou kunnen worden getoetst. Voorts mag van een waterschap worden verlangd dat, wanneer een klacht binnenkomt over een waterpeil, het daarop adequaat reageert door naar aanleiding van die klacht een onderzoek in te stellen en zo nodig, afhankelijk van de uitkomst daarvan, de noodzakelijke en mogelijke maatregelen te treffen. Een waterschap hoeft echter niet steeds uit eigen beweging te onderzoeken of een ingeland last heeft van te hoge of te lage waterstanden en op basis daarvan maatregelen te nemen vooruitlopend op een aangekondigde weersomstandigheid. Het hof zal dit normatieve kader hanteren bij de beoordeling van het onderhavige geschil (vgl. ECLI:NL:GHSHE:2015:2507, rov. 3.5.1 tot en met 3.5.3). Van dit kader heeft de rechtbank in rov. 2.5 van het vonnis van 12 december 2018 een juiste samenvatting gegeven door te overwegen dat getoetst dient te worden of het Waterschap, in aanmerking genomen de concrete omstandigheden van het geval, de verschillende bij zijn beleid betrokken belangen en zijn beperkte middelen, beneden de zorg van een goed beheerder is gebleven. Daarmee heeft de rechtbank er blijk van gegeven het juiste toetsingskader te hebben gehanteerd.
allemaatregelen waren getroffen, (waaronder naast de maaiwerkzaamheden op 30 augustus 2010 aan het traject 2050016 en de maai- en schepwerkzaamheden op 31 augustus 2010 aan traject 2050062 dus ook het dichtzetten van de afsluiter op 16 augustus 2010 en het verlagen van de stuw op 27 augustus 2010), niet volgt dat het water zonder de maai- en schepwerkzaamheden onvoldoende snel zou zijn weggestroomd. Uit het feit dat het water uiteindelijk lager is komen te liggen dan het perceel rond de periode dat de maai/schepwerkzaamheden werden uitgevoerd, kan volgens het Waterschap niet worden afgeleid dat er voorheen problemen bestonden, dat het Waterschap de waterloop onvoldoende heeft onderhouden en/of niet adequaat heeft gereageerd op de klachten van 16 en 27 augustus 2010. Ter onderbouwing van de stelling dat het gepleegde onderhoud voldoende was, heeft het Waterschap gesteld - kort weergegeven - dat zij de (trajecten van de) waterloop volgens het vastgestelde maaibeleid regulier heeft onderhouden, dat er sprake was van normale zomerbegroeiing en dat niet gebleken is dat de waterloop niet aan de afvoernorm van 8,8 mm/etmaal voldeed. Het Waterschap heeft ook toegelicht dat het adequaat op voornoemde klachten heeft gereageerd. Dat blijkt volgens het Waterschap uit het feit dat het waterpeil in de waterloop 205-6 geleidelijk is gezakt nadat het Waterschap naar aanleiding van de klacht van [V.O.F.] , afsluiter 205 WRS heeft dichtgezet, stuw 205C 20 cm heeft verlaagd en het traject 2050063 extra heeft gemaaid. Dat blijkt ook uit het feit dat na de klacht van [appellante] , [naam] twee keer ter plaatse is komen kijken, hij vanwege de effectiviteit van de eerdere maatregelen bij de eerste inspectie geen reden had te veronderstellen dat de verlaging van de stuw 205C onvoldoende soelaas zou bieden en bij de tweede inspectie opdracht heeft gegeven tot twee extra maaibeurten om er alles aan te doen de doorstroming zo goed mogelijk te maken. Aldoende heeft het Waterschap de zorg van een goed waterbeheerder betracht en was er geen aanleiding voor sneller of anders handelen dan zij heeft gedaan. Ten slotte acht het Waterschap relevant dat de hoeveelheid neerslag destijds uitzonderlijk was, dat de waterafvoer van het perceel werd belemmerd door de aardappelruggen en dat [appellante] bewust het risico genomen heeft om op een kwetsbaar perceel aardappelen te telen die reeds als gevolg van een wateroverlast gedurende 24 uur gaan rotten.
Zoals hiervoor overwogen (rov. 3.4.4), gaat de zorgplicht van een waterschap niet zo ver dat het alle waterlopen te allen tijde schoon dient te houden zodat voldoende waterafvoer verzekerd en gewaarborgd is. Evenmin hoeft een waterschap steeds uit eigen beweging te onderzoeken of een ingeland last heeft van te hoge of te lage waterstanden en op basis daarvan maatregelen te nemen vooruitlopend op een aangekondigde weersomstandigheid. Indien en voor zover voorafgaand aan de hevige regenval lokaal sprake was van te veel begroeiing / een bottleneck, dan kan dat feit naar het oordeel van het hof op zichzelf niet de conclusie dragen dat het Waterschap niet aan haar onderhoudsplicht heeft voldaan.
De kwetsbare ligging van het perceel maakt dit niet anders. Juist vanwege de kwetsbare ligging van het perceel mocht van [appellante] een oplettende houding worden verwacht ten aanzien van het onderhoud/doorstromen van de watergang. Omdat [appellante] niet heeft gesteld dat zij daarover vóór 16 augustus 2010 bij het Waterschap heeft geklaagd en evenmin dat zij het Waterschap in kennis heeft gesteld van bovenmatige begroeiing die noopte tot het eerder of extra maaien van de waterloop, wordt haar stelling dat het Waterschap zijn onderhoudsverplichting onvoldoende is nagekomen omdat niet genoeg is gemaaid als onvoldoende onderbouwd verworpen.
De effectiviteit van de maatregelen is ook van belang voor de beoordeling van het causale verband tussen de getroffen maatregelen en de oogstschade. Indien en voorzover het Waterschap met de getroffen maatregelen niet adequaat gehandeld zou hebben, dan is de vraag aan de orde of de oogstschade (gedeeltelijk) voorkomen zou zijn indien het Waterschap wel adequaat zou hebben gehandeld. In dat kader merkt het hof op dat de heer [naam] (tijdens het getuigenverhoor op 27 juni 2017) heeft verklaard dat het water op maandagmiddag (30 augustus 2010) en daarmee vóór de maaiwerkzaamheden bij de gestelde bottleneck, van het perceel afliep. Ook op dit punt heeft het hof behoefte aan nadere informatie van partijen over onder meer 4) de voorzienbaarheid van de oogstschade en 5) de aanwezigheid van andere factoren (zoals onder meer: de infiltratiecapaciteit van de bodem en de ligging van de aardappelruggen) die het afstromen van het water belemmerden en de vraag in wiens risicosfeer die factoren lagen. Aan de hand van deze omstandigheden en gezichtspunten dient beoordeeld te worden of het Waterschap beneden de zorg van een goed beheerder is gebleven in zijn handelen na de ontvangen klachten. Voor deze beoordeling heeft het hof op de vijf genoemde punten behoefte aan nadere inlichtingen van partijen. Daartoe zal het hof een comparitie van partijen bepalen.