Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
,
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak verzoekt de vader in hoger beroep om wijziging van het ouderlijk gezag over zijn twee minderjarige kinderen. De rechtbank Limburg wees het verzoek in eerste aanleg af. De moeder woont sinds 2019 met de jongste minderjarige in Spanje, terwijl de oudste sinds juli 2020 bij de vader woont. De gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming zijn betrokken bij het dossier.
Het hof beoordeelt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en bevestigt deze op grond van het perpetuatio fori-beginsel. Voor de oudste minderjarige kent het hof het gezag toe aan de vader, gezien de wens van het kind, de instemming van de gecertificeerde instelling en het ontbreken van gegronde vrees voor verwaarlozing van belangen. Voor de jongste minderjarige wijst het hof het verzoek toe tot gezamenlijk gezag, ondanks de ernstige communicatieproblemen tussen de ouders, omdat dit in het belang van het kind is en de enige mogelijkheid biedt voor de vader om zijn familieband te herstellen.
De proceskosten worden in hoger beroep gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het hof doet opnieuw recht met uitvoerbaarheid bij voorraad.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader toe en kent het gezag over de oudste minderjarige aan hem toe en het gezag over de jongste minderjarige gezamenlijk aan beide ouders.