Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,h.o.d.n. [Makelaar en Taxateur] ,
wonende te [woonplaats] , Duitsland, en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 14 maart 2017 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van partijen gehouden op 9 mei 2017;
- de memorie van grieven met vermeerdering van eis en met producties, genummerd 29 tot en met 35;
- de memorie van antwoord met producties, genummerd A tot en met C;
- de akte van de zijde van [appellante] met producties 36 tot en met 42;
- de antwoordakte van de zijde van [geïntimeerden]
6.De beoordeling
[website]”. [appellante] is wel in dienst geweest bij de onderneming van [overleden echtgenoot van appellante] , maar daarmee is zij niet aan te merken als “een ander” die eerder dan [geïntimeerde 1] een handelsnaam voerde met het element “ [naam 1] ” erin. Dat was in die periode [overleden echtgenoot van appellante] , die de eenmanszaak dreef. In de periode waarin de vof de onderneming dreef was [appellante] ook niet aan te merken als “een ander” in de zin van artikel 5 Hnw Pro. Dat waren aanvankelijk de vennoten [appellante] en [geïntimeerde 1] gezamenlijk en laatstelijk [de vennootschap] en [geïntimeerde 1] gezamenlijk. [appellante] komt daarom geen beroep op artikel 5 Hnw Pro toe. De slotsom is dat voor zover de vordering van [appellante] is gebaseerd op artikel 5 Hnw Pro deze een deugdelijke grondslag ontbeert.