Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, maakte bezwaar tegen een aanslag vennootschapsbelasting 2013 en de daarbij behorende verliesverrekening en belastingrente. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het gerechtshof.
Het geschil betrof twee hoofdvragen: of de voorziening van € 213.710 voor hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van een kredietarrangement terecht was gecorrigeerd door de Inspecteur en of schulden van een dochtermaatschappij bij ontvoeging uit de fiscale eenheid op bedrijfswaarde moeten worden gesteld volgens artikel 15aj, lid 3, onderdeel a, Wet Vpb 1969.
Het hof oordeelde dat de hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeit uit vennootschapsrechtelijke betrekkingen binnen het concern en dat de voorziening daarom niet ten laste van het resultaat kan worden gebracht. Tevens werd geoordeeld dat schulden van de dochtermaatschappij bij ontvoeging in het zicht van liquidatie op bedrijfswaarde moeten worden gesteld. Belanghebbende kon onvoldoende aannemelijk maken dat de huurovereenkomst een substantiële waarde had die de schuldenwaarde zou compenseren.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het hof wees ook de vordering tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.