Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2014, met name tegen de vermogensrendementsheffing in box 3. Na afwijzing van bezwaar door de Inspecteur en een ongegrond verklaard beroep bij de Rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Hof. Het Hof vernietigde de eerdere uitspraken en beval een nieuwe uitspraak op bezwaar.
Bij de nieuwe uitspraak op bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Belanghebbende stelde dat de Inspecteur onrechtmatig handelde door geen beschikking als bedoeld in artikel 4:18 Awb Pro te geven en dat de vermogensrendementsheffing in strijd was met het legaliteitsbeginsel en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het Hof oordeelde dat de Inspecteur geen nieuwe beschikking hoefde te geven omdat de brief van belanghebbende geen geldige ingebrekestelling was. Ook was er geen sprake van schending van de motiverings- en onderzoeksverplichtingen.
Het Hof volgde de Inspecteur in dat de vermogensrendementsheffing wettelijk is voorgeschreven en niet aan de Grondwet kan worden getoetst. Hoewel het forfaitaire stelsel op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP Pro, concludeerde het Hof dat belanghebbende niet wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Daarom is het hoger beroep ongegrond en wordt de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2014 wordt bevestigd.