In deze civiele zaak tussen een Grieks specialiteitenrestaurant en een tapasbar staat de vraag centraal of er een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de exploitatie van de tapasbar. De rechtbank Limburg had eerder geoordeeld dat de koopovereenkomst met het Grieks specialiteitenrestaurant was gesloten, maar niet met de bestuurder persoonlijk, en veroordeelde het restaurant tot betaling van schadevergoeding.
Het Grieks specialiteitenrestaurant vorderde in hoger beroep schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis, stellende dat het vonnis berust op juridische en feitelijke misslagen en dat onmiddellijke executie tot faillissement zou leiden. Het hof beoordeelde deze vordering aan de hand van de criteria van de Hoge Raad en concludeerde dat er geen sprake was van evidente en niet-discussieerbare misslagen.
Daarnaast weegt het belang van de veroordeelde partij bij schorsing niet zwaarder dan het belang van de wederpartij bij executie, mede omdat het gestelde financieel nadeel onvoldoende onderbouwd was. Het hof wees de schorsingsvordering af en hield de beslissing over proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak, die is verwezen naar een latere rolzitting.