ECLI:NL:GHSHE:2020:585

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 februari 2020
Publicatiedatum
18 februari 2020
Zaaknummer
200.176.243_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis rechtbank over vaststellingsovereenkomst en betalingsverplichting

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellant het verschuldigde saldo aan geïntimeerde verschuldigd was op grond van een vaststellingsovereenkomst. Het hof nam de inhoud van het tussenarrest over en hield een enquête en contra-enquête waarbij meerdere getuigen werden gehoord.

Het hof oordeelde dat geïntimeerde, die de bewijslast droeg, voldoende had aangetoond dat appellant het gevorderde bedrag voor geleverde goederen en diensten verschuldigd was. De getuigenverklaringen aan de zijde van geïntimeerde werden als overtuigender beoordeeld dan die van appellant, mede vanwege tegenstrijdigheden in de verklaringen van appellant en zijn getuigen.

Op grond van de brief van 8 november 2012 werd vastgesteld dat partijen een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten waarin het saldo en de achterstand waren vastgelegd. Het hof verwierp alle grieven van appellant en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.

Verder wees het hof de vordering van geïntimeerde tot vergoeding van werkelijke proceskosten in hoger beroep af, omdat geen sprake was van bijzondere omstandigheden zoals misbruik van procesrecht. De proceskosten werden vastgesteld conform het liquidatietarief en appellant werd hoofdelijk veroordeeld tot betaling hiervan.

Het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2020 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant tot betaling van het saldo en de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.176.243/01
arrest van 18 februari 2020
in de zaak van

1.[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,

2.
[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna in mannelijk enkelvoud aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. H.E.Chr.M. Nieland te Bergen op Zoom,
tegen
[de vennootschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. P.H.A. Mulder te Almelo.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 19 maart 2019 hier over.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- de enquête aan de zijde van [appellant] ;
- de contra-enquête aan de zijde van [geïntimeerde] ;
- de memorie na enquête van [appellant] ;
- de antwoord memorie van [geïntimeerde] .
1.3
Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof wederom arrest bepaald.

2.De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1
In het tussenarrest van 19 maart 2019 is [appellant] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat de in de brief van 8 november 2012 tussen partijen door [appellant] aan [geïntimeerde] verschuldigde saldi van € 129.424,19, waarvan € 109.279,- achterstand, zonder voorbehoud zijn vastgesteld. [appellant] heeft daarop drie getuigen laten horen, mevrouw [appellante] (appellante), de heer [appellant] (appellant) en de heer [getuige 1] . In de contra-enquête heeft [geïntimeerde] als getuigen laten horen mevrouw [getuige 2] , de heer [getuige 3] en mevrouw [getuige 4] .
2.2.
Naar het oordeel van het hof is [geïntimeerde] , op wie de bewijslast rust, erin geslaagd aan te tonen dat [appellant] wegens geleverde goederen en diensten het gevorderde aan haar verschuldigd is en heeft [appellant] dat bewijs niet kunnen ontzenuwen.
Voor de motivering van dit oordeel verwijst het hof naar overweging 3.13. tot en met 3.13.5. van het tussenarrest en naar de getuigenverklaringen aan de zijde van [geïntimeerde] . Gezien de brief van 8 november 2012, de verklaring van de getuige [getuige 4] en de daarop ter aanvulling strekkende verklaringen van de partijgetuigen [getuige 2] en [getuige 3] , is komen vast te staan dat partijen op 8 november 2012 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, zoals verwoord in voormelde brief.
Hiertegenover leggen de getuigenverklaringen van [appellante] , [appellant] en [getuige 1] te weinig gewicht in de schaal. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaringen van de door [appellant] voorgebrachte getuigen op wezenlijke punten uiteen lopen. Zo hebben [appellante] en [getuige 1] verklaard dat de brief van 23 september 2011 ter tafel lag bij de bespreking op 8 november 2012, respectievelijk dat een brief van 2011 ter tafel lag, terwijl [appellant] heeft verklaard dat tijdens het gesprek alleen de brief van 8 november 2012 op tafel lag. Bovendien heeft [appellante] verklaard dat zij tegen [getuige 3] heeft gezegd dat er niet veel meer, bijna niks, open zou staan, terwijl [appellant] heeft verklaard dat hij tegen [getuige 3] heeft gezegd dat hij, [appellant] , uit kwam rond een bedrag van € 60.000,-. Ten slotte acht het hof van belang dat [appellante] alleen staat in haar verklaring dat [getuige 3] tegen haar heeft gezegd dat zij onder de brief van 8 november 2012 geen voorbehoud voor het saldo hoefde te maken omdat dit al onder de brief van 23 september 2011 stond.
2.3
Zoals in het tussenarrest al aangekondigd zal dus een vaststellingsovereenkomst worden aangenomen waarin is vastgelegd dat het saldo op lidnummer [lidnummer] € 129.424,19 bedraagt en de achterstand € 109.279,04. Op grond van deze tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst is het hof van oordeel dat [appellant] het in deze overeenkomst bepaalde aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Dit betekent dat grieven 1 tot en met 5 falen.
2.4
In het tussenarrest van 19 maart 2019 heeft het hof al op alle overige grieven beslist.

3.De slotsom

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Ook in hoger beroep vordert [geïntimeerde] de veroordeling van [appellant] in de werkelijke proceskosten. Dit heeft [geïntimeerde] ook in eerste aanleg gevorderd en is door de rechtbank afgewezen. Voor zover de vordering in hoger beroep ziet op dezelfde kosten als [geïntimeerde] bij de rechtbank heeft gevorderd, heeft te gelden dat [geïntimeerde] tegen de afwijzing hiervan (incidenteel) hoger beroep had moeten instellen. Dat heeft zij niet gedaan, zodat de beslissing van de rechtbank op dat punt in hoger beroep niet voorligt. Voor zover de vordering thans ziet op de werkelijke proceskosten die [geïntimeerde] in hoger beroep heeft gemaakt, wijst het hof deze ook af. Een veroordeling tot betaling van de werkelijk door de wederpartij gemaakte proceskosten kan uitsluitend worden uitgesproken in geval van bijzondere omstandigheden, waarbij te denken valt aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Dit doet zich pas voor als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen, is echter ook in hoger beroep geen sprake. De proceskosten in hoger beroep worden dus begroot conform het liquidatietarief.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:
- griffierecht € 5.160,00;
- salaris advocaat € 15.676,00 (4 punten x tarief VI)

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 juli 2015;
veroordeelt [appellant] hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 5.160,00 voor verschotten en op € 15.676,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, E.J. van Sandick en G. Creutzberg, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2020.
griffier rolraadsheer