ECLI:NL:GHSHE:2020:591
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vorderingen na beëindiging samenwerking eethuis zonder bewezen vof
De zaak betreft een geschil tussen oom en neef over investeringen in een gezamenlijk geëxploiteerd eethuis, waarbij de oom vorderingen instelde wegens vermeende investeringen in een vennootschap onder firma (vof). De kantonrechter had deze vorderingen afgewezen omdat het bestaan van de vof niet was bewezen.
In hoger beroep stelde de oom dat er geen vof was ontstaan en dat hij onterecht was buitengesloten, waardoor hij aanspraak maakte op terugbetaling op grond van onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking. Het hof oordeelde dat het bestaan van een vof niet was komen vast te staan, mede vanwege het ontbreken van een vennootschapsakte en het dwingende bewijsvoorschrift in artikel 22 WvK Pro.
Het hof concludeerde dat de oom onvoldoende feiten had gesteld om aannemelijk te maken dat hij door toedoen van de neef was buitengesloten. De neef had aannemelijke omstandigheden aangevoerd die het beëindigen van de samenwerking door de oom zelf verklaarden. Hierdoor was geen sprake van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking.
De vorderingen tot afrekening van een vof, vrijwaring tegen derden en vergoeding van schulden werden afgewezen omdat deze kwesties niet aan de orde waren in dit hoger beroep. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de oom in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van de oom af wegens onvoldoende bewijs van vof en geen onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking.