Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende was in 2013 werkzaam op een binnenvaartschip en stond dat jaar deels op de loonlijst van een Cypriotisch en deels van een Liechtensteins bedrijf. De Liechtensteinse autoriteiten gaven een A1-verklaring af voor toepassing van hun sociale wetgeving vanaf augustus 2013, terwijl de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een Nederlandse A1-verklaring afgaf voor het gehele jaar 2013. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze Nederlandse verklaring en startte een langdurige bestuursrechtelijke procedure.
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) oordeelde uiteindelijk dat de Belgische sociale wetgeving van toepassing was voor de eerste helft van 2013. De SVB trok daarop de Nederlandse A1-verklaring in en stelde een nieuwe verklaring af. De inspecteur van de Belastingdienst paste de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) daarop aan en verleende vrijstelling voor de premie volksverzekeringen voor het hele jaar.
Belanghebbende vorderde in hoger beroep een werkelijke proceskostenvergoeding, stellende dat de inspecteur tegen beter weten in had gehandeld door zich te baseren op de Nederlandse A1-verklaring. Het hof oordeelde dat de inspecteur rechtmatig handelde zolang de A1-verklaring niet was ingetrokken of ongeldig verklaard. De langdurige procedure omtrent de A1-verklaring kan niet aan de inspecteur worden toegerekend. Er was geen sprake van ernstig onzorgvuldig handelen of handelen tegen beter weten in, zodat geen werkelijke proceskostenvergoeding wordt toegekend.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij een forfaitaire proceskostenvergoeding was toegekend. Tevens wees het hof een vergoeding van griffierecht af en veroordeelde partijen niet in proceskosten.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat geen werkelijke proceskostenvergoeding wordt toegekend.