Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde] ,wonende te [woonplaats] ,
Stichting Regionaal Instituut voor Nascholing en Opleidingen in de gezondheidszorg en hulpverlening in Zuid-Nederland,voorheen statutair genaamd Stichting Regionaal Instituut voor Nascholing en Opleidingen in de gezondheidszorg en hulpverlening in Zuid-Nederland,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
Stichting GGz Breburg Groep,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/322106 / HA ZA 16-756)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaardingen in hoger beroep;
- de memorie van grieven tevens wijziging van eis met producties;
- van alle drie de geïntimeerden een memorie van antwoord en zijdens [geïntimeerde] en GGz tevens memorie van grieven in incidenteel appel;
- de memories van antwoord in het incidenteel appel van [geïntimeerde] en GGz;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brieven dan wel H-formulieren met de hierna genoemde afzenders en data, toegezonden producties, die bij het pleidooi bij akte in het geding zijn gebracht, elk in hun eigen geschil:
3.De beoordeling
“In afwachting van landelijke richtlijnen over de uitwerking en toelaatbaarheid van verschillende opleidingscontracten kunnen aan de erkenning, in het bijzonder aan de door u thans gebruikte Opleidingsovereenkomst, nadere eisen gesteld worden. (…) Wij gaan ervan dat u bij de invulling van de praktijkopleiding de Erkenningseisen voor een praktijkopleidingsinstelling Psychotherapie (versie oktober 2011) in acht neemt.”Deze erkenningseisen zijn aangepast op 1 januari 2014, waarbij onder meer geldt:
“
15. (…) f. Bij tussentijdse beëindiging van de opleiding kan er geen sprake zijn van een concurrentiebeding of relatiebeding.”.
“Ik heb jullie signaal besproken met de hoofdopleider en wij hebben besloten een werkbezoek te brengen bij [appellante] Psychologie”.
“Is het RINO op de hoogte van je onvrede met je plek? Heb je inhoudelijke (opleidingsrelevante) argumenten om niet tevreden te zijn over de plek? (Maw, is een overstap naar een andere organisatie ook voor de hoofdopleider vanzelfsprekend?)”
“Onlangs brachten wij een constructief werkbezoek bij [appellante] . Tijdens het werkbezoek zijn er een aandachtspunten besproken. Voor ons is er geen reden om te adviseren dat een van de deelnemers voor haar opleiding beter kan overstappen naar een andere opleiding. Dit laat onverlet dat je om jouw moverende redenen hier zelf voor kunt kiezen. In dat geval horen we het graag en kunnen we je mogelijke overstap mogelijk ondersteunen (…) (Ik zal eenzelfde soort bericht aan Anneloes van den Broek gestuurd.).”
“Enige tijd geleden heeft [geïntimeerde] contact met ons gezocht om haar voortgang in de psychotherapie opleiding te bespreken. Tijdens dit gesprek heeft [geïntimeerde] aangegeven dat het opleidingsproces wat haar betreft stagneerde. Zij gaf verder aan contact te hebben opgenomen met GGZ Breburg om de mogelijkheden van een overstap te onderzoeken.
“(…) Ik wil het er graag met je persoonlijk over hebben dat ik bij [appellante] ontslag wil nemen. Ik vindt het vervelend om je dit nu al via de mail te moeten zeggen, dus excuses daarvoor. Maar daar zou het gesprek over gaan. (…)”Voornoemd gesprek heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015.
“Hiervan heb ik [appellante] reeds eerder op de hoogte gesteld… 22-06-2015…[en]…23-06-2015. Bij deze wil ik mijn besluit van toen nogmaals benadrukken middels deze brief.”
I. voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] door met ingang van 1 september 2015 bij GGz in dienst te treden, heeft gehandeld in strijd met het in artikel 7 van Pro de maatschapsovereenkomst tussen haar en [appellante] overeengekomen concurrentiebeding;
alsmede:
[appellante] heeft verder in reconventie gevorderd om de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzigen althans te matigen tot een bedrag van € 17.353,79, althans een in goede justitie te bepalen geldsom.
Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voorts zijn bij de uitleg van een dergelijk geschrift telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Wel is in praktisch opzicht vaak van groot belang de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben (ECLI:NL:HR:2004:AO1427, rov. 4.5).
Het hof zal de door [appellante] gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde] door met ingang van 1 september 2015 bij GGz in dienst te treden, heeft gehandeld in strijd met het in artikel 7 van Pro de maatschapsovereenkomst tussen haar en [appellante] overeengekomen concurrentiebeding alsnog afwijzen. Op dit punt zal de uitspraak van de rechtbank dus worden vernietigd. Dit betekent dat grief I in het incidenteel hoger beroep slaagt, de (voorwaardelijke) incidentele grief II geen verdere behandeling behoeft en grief 3 in het principaal hoger beroep faalt.
(…) Het opleidingsklimaat zoals [geïntimeerde] {hof: [geïntimeerde] } weergeeft, lijkt qua samenstelling heel beperkt: een psychotherapeut en 5 PTio. Hier kan niet echt gesproken worden van een multidisciplinair team. De Praktijkopleider en diens onafhankelijkheid in keuzes en besluitvormingsmogelijkheden tbv de bevordering van de kwaliteit van de opleiding, lijkt twijfelachtig. De praktijkopleider is in dienst van de praktijkhouder, de vraag is of in dit geval geen externe praktijkopleider aangewezen zou moeten worden De praktijk lijkt geen open cultuur te hebben. Veel zaken blijven onbesproken. De PTio lijkt de rol van de klokkenluider op zich te moeten nemen.. De inhoudelijk keuze voor specifieke methoden (schema of anderszins) wordt bij regelmaat beperkt. Het betrekken van een psychiater wordt gelimiteerd. (…)”. Deze kennis echter ziet niet op overleg tussen [geïntimeerde] , Rino en [appellante] in het kader van de door haar te volgen opleiding. Wat de opleidingssituatie betreft onderkent [appellante] wel dat [geïntimeerde] bepaalde zaken moet kunnen bespreken met Rino. Anders zou immers een onwerkbare situatie kunnen ontstaan, aldus [appellante] .
moestzelfs om tot verdere ontwikkeling te kunnen komen, als psycholoog in opleiding. informatie over interne aangelegenheden delen met Rino. Dit is ook erkend door [appellante] . Dit betekent dat artikel 1.4 [geïntimeerde] niet kan en mag belemmeren in het delen van essentiële informatie in het kader van haar opleiding, zoals zij in dit geval heeft gedaan. De door [appellante] aangevoerde berichten tonen ook niet meer dan informatiedeling vanwege de overgang naar een nieuwe POI. Het hof volgt [appellante] dan ook niet in haar standpunt dat het beding zo moet worden uitgelegd dat [geïntimeerde] in haar contacten met GGz het beding heeft overtreden. Grief 4 faalt dus.