Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
5.Het verdere verloop van de procedure
- het tussenarrest van 27 oktober 2020;
- de akte van geïntimeerden van 24 november 2020.
6.De verdere beoordeling
ECLI:NL:HR:2015:2743 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2015:2743), NJ 2016/78 (rov. 3.4.2)). Het hof stelt vast dat kennelijk gedurende langere tijd onduidelijkheid heeft bestaan tussen [geïntimeerden] en [appellant] (en diens rechtsvoorgangers) over waar nu precies de kadastrale grens loopt tussen perceel [sectienummer 2] ( [appellant] ) en de percelen [sectienummer 6] , [sectienummer 7] en [sectienummer 8] ( [geïntimeerden] ). Die onduidelijkheid kan niet zonder meer ten voordele van [geïntimeerden] strekken, maar evenmin ten nadele van [appellant] . Het is ook kennelijk tegen deze achtergrond dat beide partijen hun medewerking hebben verleend aan een kadastrale inmeting. Dat [geïntimeerden] achteraf deze inmeting als onbegrijpelijk zoal niet onjuist betitelen doet daar niet aan af.