Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- [appellant] , bijgestaan door mr. Stolting;
- de heer [beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellant verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, nadat de rechtbank dit verzoek had afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro, omdat hij niet te goeder trouw zou zijn geweest bij het ontstaan van zijn schulden. De schuld aan de gemeente ontstond door een terugvordering wegens vermeende betrokkenheid bij een hennepkwekerij, waarvan appellant vrijgesproken werd voor het telen, maar veroordeeld zonder strafoplegging voor het voorhanden hebben van hennep.
Appellant voerde aan dat hij niet betrokken was bij de kwekerij en dat de schuld aan de gemeente mogelijk aanzienlijk lager uitvalt. De beschermingsbewindvoerder bevestigde dat appellant zich inspant om zijn schulden te voldoen en vond dat hij toelating verdiende. Het hof oordeelde echter dat appellant ook andere schulden had die als fraudeschulden werden aangemerkt en dat hij onvoldoende informatie had verstrekt aan instanties, waardoor niet aannemelijk was dat hij de verplichtingen van de regeling naar behoren zou nakomen.
Daarmee voldeed appellant niet aan de cumulatieve toelatingscriteria van artikel 288 lid 1 Faillissementswet Pro, en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat niet aan de tweede en derde voorwaarde was voldaan.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af wegens het ontbreken van goede trouw.