Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/365574 / KG ZA 20-733)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding – met grieven – in hoger beroep, met de producties 11 tot en met 13
- de memorie van antwoord met de producties 1 tot en met 5
- de akte van de vrouw van 6 april 2021 met een productie
3.De feiten
4.De procedure in eerste aanleg
5.De beoordeling in hoger beroep
schriftelijkemededeling, zoals art. 3:317 lid 1 BW Pro eist, is niet uit te sluiten dat het beroep van de man op verjaring onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat dit is wat de vrouw in wezen met haar argumentatie in dit kort geding onder woorden heeft willen brengen. Mede in het licht van de belangenafweging die het hof in dit kort geding heeft te maken ten aanzien van het wel of niet opheffen van de beslagen, ziet het hof hierin aanleiding de beslagen hangende de behandeling van de bodemzaak niet op te heffen vanwege een voorlopig oordeel dat de rechtsvordering van de vrouw is verjaard. Het belang van de vrouw bij zekerheid voor verhaal van haar vordering, als die komt vast te staan, prevaleert hier.