Uitspraak
5.Het verdere verloop van de procedure
- voornoemd tussenarrest waarbij een mondelinge behandeling na aanbrengen is bepaald;
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling na aanbrengen van 4 maart 2020;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord.
6.De beoordeling
“Hierbij had ik u het voorstel willen toesturen om te komen tot een afspraak over:1. de verrichtte en te verrichten werkzaamheden door de heer [appellant]2. de bevestiging van het daarvoor door [geïntimeerde] in totaal te betalen vaste totaalbedrag (tijdens de bemiddelingsgesprekken 58.000 euro voorgesteld, incl. BTW), en3. de datum van oplevering
- te verklaren voor recht dat de overeenkomst van aanneming van werk is ontbonden,
althans deze alsnog te ontbinden;
- [appellant] te veroordelen tot terugbetaling van € 11.931,19 en € 13.723,10 en tot betaling van de expertisekosten van in totaal € 1.779,40, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2018 tot aan de dag van voldoening.
Tevens heeft [geïntimeerde] gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van de (na)kosten van het geding in eerste aanleg vermeerderd met wettelijke rente.
Ik zal accoord gaan met het voorstel”. Daaraan doen niet af de kanttekeningen die [geïntimeerde] in dezelfde e-mail nog heeft geplaatst, aangezien die kanttekeningen geen betrekking hadden op de omvang en de aard van de nog uit te voeren werkzaamheden, aldus [appellant] . Dat [geïntimeerde] de dag erna in een e-mail met allerlei aanvullende werkzaamheden over de brug kwam, doet aan het de dag ervoor gegeven akkoord evenmin af, aldus [appellant] . Uit de toelichting op de grieven blijkt dat het standpunt van [appellant] in de kern erop neerkomt dat hij zijn werkzaamheden mocht opschorten nadat [geïntimeerde] de uit de nadere overeenkomst van 31 december 2017 voortvloeiende tweede termijn van € 8.000,= onbetaald had gelaten. Daarnaast heeft [appellant] aangevoerd dat de stellingen van [geïntimeerde] over gebrekkige en onvolledige uitvoering van de werkzaamheden niet in de weg staan aan het beroep op opschorting en schuldeisersverzuim. Volgens [appellant] kunnen de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte rapporten niet dienen ter onderbouwing van de gevorderde bedragen aangezien die rapporten gebaseerd zijn op schattingen.
Ik zal accoord gaan met het voorstel ( ik heb geen andere keus).” mocht [appellant] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij in beginsel akkoord was met de door [bemiddelaar] voorgestelde tussenoplossing, waaronder de betaling van twee termijnen van € 8.000,= (en aldus betaling van de tweede termijn per 7 februari 2018).