AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep inzake bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement Autobus Combinatie B.V.
In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen een vonnis van de rechtbank Limburg waarin appellanten, bestuurder en aandeelhouder van de failliete Autobus Combinatie B.V., aansprakelijk zijn gesteld voor het boedeltekort op grond van artikel 2:248 BWPro. De rechtbank had hen veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 200.000 en kosten, met uitvoerbaar bij voorraadverklaring.
Appellanten vorderen in het incident primair schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat het hoger beroep is afgerond, dan wel subsidiair het verbinden van een voorwaarde tot zekerheidstelling door de curator. Zij stellen dat de executie onomkeerbare financiële en emotionele gevolgen heeft, mede vanwege de bijzondere zorgbehoefte van hun gehandicapte zoon.
De curator voert aan dat de executie reeds heeft plaatsgevonden en dat de gelden zijn besteed aan faillissementskosten, waardoor schorsing of zekerheidstelling geen doel meer dienen. Het hof acht nadere informatie noodzakelijk en verwijst de zaak naar de rol voor een antwoordakte van appellanten. De hoofdzaak wordt eveneens aangehouden voor beraad. Het arrest is gewezen door Venhuizen, Schulten en Schoenmakers op 5 oktober 2021.
Uitkomst: Het hof wijst het incident door voor nadere informatie en houdt de hoofdzaak aan voor beraad.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.294.836/01
arrest van 5 oktober 2021
gewezen in het incident ex de artikelen 351 en 235 Rv in de zaak van
1.[appellant] ,
2. [appellante] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat: mr. Ph.W. Schreurs te Eindhoven,
tegen
[curator] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [locatie] Autobus Combinatie B.V.,
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. P.W.F. Kostons te Maastricht,
op het bij exploot van dagvaarding van 21 mei 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 april 2021, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen appellanten – [appellanten] – als gedaagden en geïntimeerde – de curator – als eiser.
Op 9 juni 2021 heeft de rechtbank een herstelvonnis uitgesproken.
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/267824 / HA ZA 19-428)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het herstelvonnis van 9 juni 2021.
2.Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van 21 mei 2021 tevens incidenteel verzoek ex artikel 351 enPro 235 Rv met grieven en met producties, genummerd 1 tot en met 4;
de antwoordmemorie in het incident met producties, genummerd 14 tot en met 17;
de memorie van antwoord in de hoofdzaak.
Het hof heeft een datum voor arrest in het incident bepaald.
3.De beoordeling
In het incident
3.1.
[appellant] is bestuurder en [appellante] aandeelhouder van de [locatie] Autobus Combinatie B.V. (hierna: MAC). MAC is in staat van faillissement verklaard. De curator heeft in eerste aanleg [appellanten] onder meer op grond van artikel 2:248 BWPro aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort van de failliet.
Op 9 augustus 2019 heeft de curator, na verkregen verlof daartoe, conservatoir beslag gelegd ten laste van [appellante] op gelden van [appellante] onder de ABN AMRO Bank N.V.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van de curator grotendeels toegewezen. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [appellanten] hun taak als bestuurder respectievelijk feitelijk beleidsbepaler van failliet kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:248 BWPro alsook dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van failliet en dat [appellanten] voor het boedeltekort hoofdelijk aansprakelijk zijn waarbij zij zijn veroordeeld tot betaling van onder meer een voorschot van € 200.000,00. Verder zijn [appellanten] veroordeeld tot betaling van de (na)kosten van het geding en de beslagkosten. Het vonnis is (met uitzondering van de verklaringen voor recht) uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
[appellanten] verzoeken het hof in hoger beroep het vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest onder meer de vorderingen van de curator af te wijzen, de curator te veroordelen om al hetgeen [appellanten] ter uitvoering van het vonnis hebben voldaan terug te betalen en een proceskostenveroordeling van beide instanties.
3.2.
[appellanten] vorderen in het incident primair op grond van artikel 351 RvPro de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen tenminste totdat in dit hoger beroep eindarrest is gewezen. Subsidiair vorderen zij aan de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis de voorwaarde te verbinden dat door de curator ten behoeve van [appellanten] voldoende zekerheid wordt gesteld voor een mogelijk restitutierisico. En tot slot vorderen zij, primair en subsidiair, de curator te veroordelen in de kosten van het incident vermeerderd met de wettelijke rente. [appellanten] stellen dat een wederzijdse belangenafweging in hun voordeel moet uitvallen, omdat de executie van het vonnis leidt tot onomkeerbare financiële en emotionele gevolgen. Immers, als het beslagen spaargeld wordt gebruikt ter voldoening van (voornamelijk) salaris en kosten in het faillissement en het vonnis wordt op een later moment vernietigd, dan resteert er geen geld voor restitutie. In dat geval blijven [appellanten] achter met een onbetaalde concurrente boedelvordering. Bovendien hebben zij het spaargeld nodig om hun gehandicapte zoon speciale begeleiding aan te kunnen bieden. Als zij niet kunnen beschikken over het spaargeld, komt hun zoon hierdoor direct in gevaar. Verder berust het bestreden vonnis volgens [appellanten] op een kennelijke misslag.
3.3.
De curator voert gemotiveerd verweer en verzoekt het hof tot niet-ontvankelijk verklaring van [appellanten] , althans de vordering in het incident af te wijzen met veroordeling van [appellanten] in de kosten van dit incident. De curator voert, samengevat, aan dat bij de beoordeling van het incident de kans van slagen van het ingestelde rechtsmiddel buiten beschouwing dient te blijven. Verder ontbreekt het vereiste belang bij de vorderingen, dan wel weegt het belang van de curator zwaarder dan het belang van [appellanten] . Tot slot hebben [appellanten] in eerste aanleg geen verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring.
3.4.
Het hof overweegt dat het, bij deze stand van zaken, behoefte heeft aan nadere informatie om de navolgende reden. De curator voert onder meer aan dat de executie van de beslagen bankrekeningen inmiddels heeft plaatsgevonden. De saldi zijn aan de deurwaarder uitbetaald en vervolgens op de faillissementsrekening overgeboekt. Deze gelden zijn volgens de curator onder meer gebruikt ter voldoening van de kosten (griffierecht en salaris curator) van het faillissement, omdat de gelden uit de Garantstellingsregeling Curatoren zijn opgesoupeerd. Dat zou betekenen dat de executie is voltooid en het vonnis in zoverre ten uitvoer is gelegd. Schorsing van de tenuitvoerlegging en het stellen van zekerheid zoals gevorderd kan dan geen doel meer treffen, zodat [appellanten] in dat geval geen belang meer hebben bij hun incidentele vordering, aldus de curator.
[appellanten] hebben op dit verweer van de curator nog niet kunnen reageren. Het hof zal daarom de zaak naar de rol verwijzen voor antwoordakte aan hun zijde, waarna arrest in het incident zal worden gewezen.
In de hoofdzaak
3.5.
Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol van 19 oktober 2021 voor beraad partijen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4.De beslissing
Het hof:
in het incident:
verwijst het hof de zaak naar de rol van 19 oktober 2021 voor antwoordakte aan de zijde van [appellanten] voor het in rechtsoverweging 3.4. omschreven doel;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 19 oktober 2021 voor beraad partijen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 oktober 2021.