De huurder [appellant] huurt sinds 2005 een sociale woning en sinds respectievelijk 2011 en 2014 twee garageboxen van Stichting ZOwonen. Vanaf december 2018 ontstond een aanzienlijke huurachterstand. ZOwonen startte een procedure tot ontbinding en ontruiming. De kantonrechter wees de vorderingen toe, waarna [appellant] hoger beroep instelde.
In hoger beroep betwistte [appellant] de ontbinding en ontruiming met het argument dat hij vanwege beëindiging van zijn participatiewet-uitkering en afgewezen aanvragen voor nieuwe uitkeringen tijdelijk niet kon betalen. Hij stelde dat bij toekenning van een WAZ-uitkering met terugwerkende kracht hij de achterstand zou voldoen en dat ontruiming tot een noodtoestand zou leiden vanwege zijn medische situatie.
Het hof oordeelde dat de huurachterstand voldoende zwaarwegend is voor ontbinding en ontruiming. De stellingen van [appellant] over beëindiging van uitkeringen door vermeende onjuiste meldingen door ZOwonen werden niet aannemelijk gemaakt. Ook de dreiging van een noodtoestand weegt niet op tegen de belangen van ZOwonen. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wees de vorderingen van ZOwonen toe, met een termijn van twee weken voor ontruiming en veroordeling tot betaling van de huurachterstanden en lopende huur met wettelijke rente. Proceskosten werden aan [appellant] opgelegd.