ECLI:NL:GHSHE:2021:3718

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 december 2021
Publicatiedatum
14 december 2021
Zaaknummer
200.284.833_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurslid aansprakelijk voor privégebruik subsidiegelden huurdersvereniging

De huurdersvereniging De Hoogste Top (DHT) stelde haar voormalig penningmeester aansprakelijk wegens onrechtmatig gebruik van subsidiegelden die bedoeld waren voor de leden en wijkraden. De subsidie werd op een bankrekening op naam van de penningmeester gestort. Na constatering van financiële verschillen en het ontbreken van volledige administratie, werd zij geschorst en aansprakelijk gesteld.

De kantonrechter veroordeelde haar tot betaling van een schadevergoeding van € 12.500,11, waarbij de vordering voor incassokosten werd afgewezen. In hoger beroep voerde de penningmeester aan dat persoonlijke omstandigheden de administratie hadden beïnvloed, maar dat uiteindelijk alles bij DHT terecht was gekomen en dat er geen deskundig onderzoek had plaatsgevonden.

Het hof oordeelde dat DHT voldoende bewijs had geleverd van onrechtmatige onttrekkingen, mede omdat de penningmeester dit erkende. De decharge uit 2017 bood geen bescherming tegen onrechtmatige onttrekkingen die niet uit de administratie blijken. Het hof bekrachtigde het vonnis en veroordeelde de penningmeester tevens in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt het voormalige bestuurslid tot betaling van € 12.500,11 schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF
s-HERTOGENBOSCH
Team handel
Zaaknummer gerechtshof 200.284.833/01
arrest van 14 december 2021
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. S. Ikiz te Maastricht,
tegen
Huurdersvereniging “De Hoogste Top” Woningstichting Vaals,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna: DHT,
advocaat: mr. P.M.H. Cruts te Simpelveld,
in het bij dagvaarding ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaak-/rolnummer 8051575 CV EXPL 19-6368, gewezen vonnis van 1 juli 2020, tussen DHT als eiseres en [appellante] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de memorie van grieven,
- de memorie van antwoord, met producties.
1.2.
Vervolgens heeft [appellante] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
1.3.
[appellante] concludeert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en de vordering van DHT alsnog afwijst, met veroordeling van DHT in de kosten in beide instanties.
1.4.
DHT concludeert tot bekrachtiging, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

2.De vaststaande feiten en het geschil

2.1.
DHT is de huurdersvereniging van de Woningstichting Vaals, thans Krijtland
Wonen. [appellante] maakte sinds maart 1999 deel uit van het bestuur van DHT in de functie van penningmeester.
2.2.
DHT heeft vanaf 2016 van Krijtland Wonen een jaarlijkse financiële bijdrage ontvangen in de vorm van een subsidie ten behoeve van haar leden/huurders en de diverse wijkraden waarin laatstgenoemden verenigd zijn. In de periode 2017-2019 bedroeg de subsidie respectievelijk € 10.000,00, € 11.000,00 en € 12.000,00. De subsidie werd overgemaakt naar een door [appellante] geopende en op haar naam staande bankrekening.
2.3.
Begin 2019 heeft DHT verschillen tussen de uitgaven en de subsidie-ontvangsten geconstateerd. Naar aanleiding hiervan is [appellante] meermaals gevraagd om inzage in de volledige administratie. In februari 2019 hebben besprekingen plaatsgevonden waarbij [appellante] inzage heeft gegeven in de administratie.
2.4.
In maart 2019 hebben [de voorzitter] en [de secretaris] , sinds 2 juli 2019 respectievelijk voorzitter en secretaris van DHT, de beschikking gekregen over (een deel van) de administratie alsmede over de pinpas behorend bij vorengenoemde bankrekening. Uit een op 21 maart 2019 gedateerde schriftelijke verklaring blijkt dat [appellante] niet over kasbonnen of andere bescheiden beschikte.
2.5.
Bij aangetekende brief van 3 april 2019 hebben [de voorzitter] en [de secretaris] [appellante] laten weten dat zij per 2 april 2019 is geschorst.
2.6.
[appellante] is op 11 april 2019 door de gemachtigde van DHT aansprakelijk gesteld
voor de terugbetaling van het bedrag dat [appellante] over de periode 2017-2019 op onrechtmatige wijze aan de middelen van DHT heeft onttrokken.
2.7.
[appellante] is op 23 april 2019 eigener beweging gedefungeerd als bestuurder van DHT.

3.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.
DHT heeft in eerste aanleg gevorderd dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van € 14.057,28 in hoofdsom en € 1.075,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, een en ander vermeerderd met rente.
Aan deze vordering heeft DHT ten grondslag gelegd dat [appellante] aansprakelijk is uit hoofde van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking althans onrechtmatige daad omdat zij subsidiegelden van DHT voor privédoeleinden heeft gebruikt.
3.2.
De kantonrechter heeft [appellante] veroordeeld tot betaling van € 12.500,11 aan schadevergoeding aan DHT en heeft de vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen. [appellante] is in de kosten veroordeeld.

4.De beoordeling in hoger beroep

4.1.
Met grief 1 betoogt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Daartoe stelt [appellante] het volgende. Als gevolg van persoonlijke omstandigheden heeft zij de boekhouding enigszins laten versloffen, maar uiteindelijk is alles bij DHT terechtgekomen. Voor zover stukken ontbreken, is dat nadien gebeurd en kan [appellante] daarvoor niet worden aangesproken. DHT kan niet worden gevolgd in de conclusies die zij uit de boekhouding trekt omdat er geen deskundig onderzoek heeft plaatsgevonden en er bovendien veel vragen onbeantwoord zijn gebleven. DHT heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4.2.
Het hof overweegt dat het in beginsel aan DHT is om te stellen en te bewijzen dat [appellante] onrechtmatige onttrekkingen uit haar middelen heeft verricht. Daartoe heeft DHT in eerste aanleg een onvolledige administratie overgelegd, bestaande uit bankafschriften, facturen en een gereconstrueerde boekhouding (productie 2 bij dagvaarding). De kantonrechter heeft op basis daarvan overwogen dat een bedrag van € 12.500,11 voor privédoeleinden is aangewend dan wel onvoldoende is verantwoord. In hoger beroep heeft DHT een uitdraai overgelegd van alle banktransacties vanaf 2017 tot en met 20 maart 2019 (productie 1). Het had op de weg van [appellante] gelegen om een en ander met stukken onderbouwd te betwisten. [appellante] heeft daarentegen erkend dat middelen van DHT voor privédoeleinden zijn gebruikt (vgl. rov. 4.2 vonnis). In het licht daarvan kan zij niet volstaan met het plaatsen van vraagtekens – die bovendien weinig steekhoudend zijn – bij de wijze waarop DHT de boekhouding heeft gereconstrueerd. Het hof overweegt verder met de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat, nadat [appellante] de boekhouding had ingeleverd bij DHT, stukken zijn verdwenen of dat de boekhouding anderszins gemanipuleerd is. [appellante] stelt dat zij dat niet kan controleren omdat zij geen afschrift van de boekhouding heeft ontvangen, maar dat doet op zichzelf aan het voorgaande niet af. Overigens is gesteld noch gebleken dat [appellante] om een afschrift heeft verzocht.
4.3.
Met grief 2 doet [appellante] andermaal een beroep op de in 2017 verleende decharge. Daargelaten of in dezen sprake is van een geldige decharge – in haar memorie stelt [appellante] dat de decharge is verleend door de kascommissie, terwijl daartoe in beginsel slechts de algemene vergadering bevoegd is – overweegt het hof met de kantonrechter dat de decharge zich niet uitstrekt tot onrechtmatige onttrekkingen die niet uit de administratie volgen (vgl. HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2332). Dat zulke onttrekkingen hebben plaatsgevonden is hiervoor al aan de orde gekomen. Daarop stuit af het betoog van [appellante] dat zij de volledige boekhouding aan de kascommissie heeft getoond alsook dat, indien in de boekhouding onregelmatigheden zouden voorkomen, de kascommissie dit had gezien en daarover had gerapporteerd. Voor zover [appellante] verder stelt dat de kascommissie een en ander had moeten zien heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. De gevolgtrekking die [appellante] daaraan verbindt behoeft dan ook geen bespreking, wat daar verder van zij.
4.4.
Grief 3 is gericht tegen de verwerping van het verweer van [appellante] dat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die DHT kunnen worden toegerekend (eigen schuld). In hoger beroep heeft [appellante] haar stellingen uit de eerste aanleg herhaald, zonder daarbij nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren. Het hof onderschrijft de deugdelijk gemotiveerde beslissing van de kantonrechter en maakt die motivering tot de zijne.
Slotsom
4.5.
Op grond van het voorgaande slagen de grieven niet. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.6.
[appellante] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5.De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellante] in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van DHT begroot op € 2.071,00 aan griffierecht en op € 1.114,00 (1 punt x appeltarief II) aan salaris advocaat;
verklaart dit arrest wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, O.G.H. Milar en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 december 2021.
griffier rolraadsheer