Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-\rolnummer 7012620 \ CV EXPL 18-4010)
2.Het geding in hoger beroep
“Bij de conclusie van repliek zijn geen producties gestuurd.”Het hof heeft daarom geen acht kunnen slaan op de in de conclusie van repliek genoemde producties.
3.De beoordeling
- [geïntimeerde] en [appellant] hebben een affectieve relatie met elkaar gehad vanaf eind 2013 tot begin/medio 2018. Volgens [geïntimeerde] betrof dit een LAT-relatie. Volgens [appellant] hebben partijen in een deel van de genoemde periode ook samengewoond.
- Op of omstreeks 12 januari 2015 heeft [geïntimeerde] de eigendom verkregen van de bedrijfs- en woonruimte aan de [adres] te [vestigingsplaats] . De daarvoor verschuldigde koopsom is ten dele door [geïntimeerde] en ten dele door [appellant] onder de notaris gestort.
- Op 28 januari 2015 hebben [geïntimeerde] en [appellant] een schriftelijke huurovereenkomst gesloten. Bij die huurovereenkomst heeft [geïntimeerde] aan [appellant] de bovengenoemde bedrijfs- en woonruimte verhuurd.
- In artikel 2.1 van de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
- [appellant] heeft in de bedrijfsruimte, met gebruikmaking van door [geïntimeerde] aan hem ter leen verstrekte bedragen, een autoverkoopbedrijf geëxploiteerd. Dit autoverkoopbedrijf stond als eenmanszaak van [appellant] ingeschreven in het handelsregister.
- Op 3 juni 2016, nadat [geïntimeerde] al meerdere bedragen ter leen had verstrekt aan [appellant] , hebben [geïntimeerde] en [appellant] een schriftelijke overeenkomst van geldlening gesloten. Die overeenkomst had betrekking op de reeds ter leen verstrekte bedragen en op de vanaf 3 juni 2016 nog ter leen te verstrekken bedragen.
- Met ingang van september 2017 heeft [appellant] geen huur meer betaald aan [geïntimeerde] .
- Bij schriftelijke bemiddelingsovereenkomst van 21 september 2017 heeft [geïntimeerde] aan [naam] opdracht gegeven tot bemiddeling bij de totstandkoming van een overeenkomst ter zake verkoop / verhuur van het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] .
- [appellant] is begin februari 2018 vertrokken uit het gehuurde. Omstreeks dat moment is [geïntimeerde] alleen gaan wonen in het gehuurde.
- A. de zaak over de op de huurovereenkomst gebaseerde vorderingen verwezen naar de rol voor conclusie van repliek;
- B. zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen in conventie uit hoofde van geldlening en van de vorderingen in reconventie, en de zaak voor wat betreft die vorderingen verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de afdeling burgerlijk recht van de rechtbank.
- I. ontbinding van de op 28 januari 2015 tussen [geïntimeerde] en [appellant] gesloten huurovereenkomst;
- II. veroordeling van [appellant] tot ontruiming van de onroerende zaak aan de [adres] te [vestigingsplaats] ;
- III. veroordeling van [appellant] tot betaling van € 25.500,-- aan achterstallige huur over de periode tot en met januari 2019, vermeerderd met wettelijke rente;
- IV. veroordeling van [appellant] tot betaling van € 45.900,-- aan contractuele boetes over de periode vanaf september 2017 tot en met januari 2019, vermeerderd met wettelijke rente;
- V. veroordeling van [appellant] tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat;
- VI. veroordeling van [appellant] tot betaling van € 1.500,-- per maand over de periode vanaf februari 2019 tot en met de dag dat [geïntimeerde] het gehuurde heeft verkocht/verhuurd/of anderszins geëxploiteerd, doch uiterlijk 31 januari 2023, vermeerderd met contractuele boete;
- VII. veroordeling van [appellant] tot betaling van € 3.825,00 aan incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente;
- De stelling van [appellant] dat hij in juli/augustus 2017 met [geïntimeerde] heeft afgesproken dat hij geen huur meer hoefde te betalen, is niet komen vast te staan. [appellant] is de huurbetalingen dus ten onrechte met ingang van september 2017 gestaakt (rov. 3.3).
- De huurovereenkomst is begin februari 2018 met wederzijds goedvinden beëindigd, doordat [appellant] op dat moment uit het gehuurde is vertrokken en [geïntimeerde] tegelijkertijd haar intrek heeft genomen in het gehuurde. De vordering ter zake achterstallige huur is dus toewijsbaar over de periode tot en met januari 2018 (rov. 3.4).
- De huurprijs bedraagt sinds januari 2017 € 1.500,-- per maand (rov. 3.5).
- Ter zake de maanden september 2017 tot en met januari 2018 is dus € 7.500,-- (5 keer € 1.500,--) aan achterstallige huur toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro (niet de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW) (rov. 3.6).
- De vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde zijn niet toewijsbaar, omdat de huurovereenkomst al is geëindigd en [appellant] al met zijn eigendommen uit het gehuurde is vertrokken (rov. 3.7).
- De vordering ter zake contractuele boete moet worden toegewezen zoals in dictum van het vonnis te vermelden. Over deze boete is de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro toewijsbaar (rov. 3.8).
- De vordering tot veroordeling van [appellant] tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat, wordt afgewezen (rov. 3.10).
- Ter zake incassokosten is € 1.125,-- (15% van de achterstallige huur van € 7.500,--) toewijsbaar, vermeerderd met wettelijke rente (rov. 3.11).
- Omdat de partijen een affectieve relatie met elkaar gehad hebben, zal de kantonrechter de proceskosten compenseren (rov. 3.12).
- [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 7.500,-- te betalen aan huur over de maanden september 2017 tot en met januari 2018, vermeerderd met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) vanaf de respectievelijke data van verzuim;
- [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] de contractuele boete volgens artikel 25.3 van de algemene bepalingen over voormelde huurpenningen te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 14 november 2018;
- [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 1.125,-- ter zake incassokosten te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van het vonnis.
“de huurafspraken tussen partijen deel uitmaakten van de beperkte gemeenschap van goederen die partijen waren overeengekomen.”Bij gelegenheid van het pleidooi heeft [appellant] dit nader toegelicht door te stellen dat de bedrijfs- en woonruimte aan de [adres] te [vestigingsplaats] inmiddels is verkocht en geleverd aan een derde, maar tot het moment van die levering gemeenschappelijke eigendom was van beide partijen.
- dat partijen hun samenwerking in het kader van het bedrijf “ [bedrijf] ” begin september 2017 hebben beëindigd;
- dat partijen toen weer in loondienst zijn gaan werken;
- dat partijen toen hebben afgesproken om het pand te verkopen waartoe op 21 september 2017 een verkoopopdracht aan een makelaar is gegeven;
- dat de afspraken ook inhielden dat [appellant] met ingang van september 2017 geen huur meer hoefde te betalen.
“van het verschuldigde”, ruimte laten voor zowel de ene als de andere uitleg.
4.De uitspraak
- de veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] € 7.500,-- te betalen aan huur over de maanden september 2017 tot en met januari 2018, vermeerderd met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) vanaf de respectievelijke data van verzuim;
- de veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] € 1.125,-- te betalen ter zake incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) over dat bedrag vanaf de datum van het vonnis;