Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
“Hoewel de hier relevante bepalingen van de Wvggz niet in acht zijn genomen, is de rechtbank onvoldoende gebleken dat verzoeker als gevolg van deze procedurele fouten is benadeeld. Verzoeker was ondanks het ontbreken van een schriftelijk besluit wel van de beslissing op de hoogte en kende – nu hij zich daadwerkelijk daarover bij de klachtencommissie heeft beklaagd – ook zijn rechten. Ondanks schending van de informatieverplichtingen is verzoeker ook niet verstoken gebleven van rechtsbijstand. Bovendien, ook als de juiste formaliteiten waren betracht, was verzoeker gezien de noodsituatie ingesloten geweest. De mogelijk door de insluiting zelf geleden schade kan niet worden gezien als causaal in verband te staan met de gemaakte fouten in de informatieverplichtingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verzoeker materieel niet in een andere situatie is komen te verkeren dan wanneer de bedoelde bepalingen juist zouden zijn nageleefd. Voor toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding in verband met de schending van de hier bedoelde verplichtingen is derhalve geen plaats.”
Het hof stelt voorop dat de toepassing van tijdelijke interventies in noodsituaties op grond van art. 8:11 en Pro 8:12 Wvggz aan strenge criteria is onderworpen en dat de mogelijkheid van bijstand van een advocaat daarbij een wettelijk en fundamenteel recht is van de patiënt. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat er voldoende causaal verband is tussen de door de insluiting zelf geleden schade en de gemaakte fouten in de informatieverplichtingen, in het bijzonder het niet in kennis stellen van de advocaat van de beslissing tot het verlenen van de tijdelijke verplichte zorg in noodsituatie, zoals art. 8:13 lid 3 Wvggz Pro voorschrijft.
onverwijldmoeten worden uitgevoerd, aangezien anders de bescherming en waarborgen die de wet met deze verplichtingen wil bieden volledig illusoir worden.