Belanghebbende maakte bezwaar tegen de tweede voorlopige aanslag en de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2013, alsmede tegen invorderingsmaatregelen waaronder beslaglegging op zijn invaliditeitspensioen. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en zich onbevoegd voor de beoordeling van de beslaglegging. Belanghebbende ging in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat belanghebbende terecht als binnenlands belastingplichtige werd aangemerkt en dat de tweede voorlopige aanslag, ondanks dat deze niet aan belanghebbende was verzonden, een betalingsverplichting opleverde. De definitieve aanslag werd verminderd naar een belastbaar inkomen van €18.140, rekening houdend met betaalde hypotheekrente. De eerste en tweede voorlopige aanslagen bleven in stand.
Het hof verklaarde zich onbevoegd om te oordelen over de invorderingsmaatregelen omdat dit onder de civiele rechter valt. Daarnaast verwierp het hof de stelling van partijdigheid van de rechtbank en constateerde geen formele gebreken bij de uitspraak en verzending ervan. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het griffierecht aan belanghebbende vergoed.