In deze zaak stond centraal of er een huurverhoging was overeengekomen voor een bedrijfsruimte per 1 januari 2005 en of er onverschuldigde betalingen hadden plaatsgevonden. Het hof stelde vast dat de feiten en omstandigheden geen huurverhoging rechtvaardigen en dat een bedrag van € 273.373,96 door de huurder was betaald zonder dat dit onverschuldigd was.
De geïntimeerde bracht bewijs aan in de vorm van getuigenverklaringen en een faxbericht uit 2012, waarin afspraken over voortzetting van betalingen en onderhoud werden bevestigd. Dit bewijs ontkrachtte de stelling van appellante dat sprake was van onverschuldigde betaling.
Het hof oordeelde dat de vordering van appellante tot terugbetaling van het bedrag moest worden afgewezen, omdat de betalingen gebaseerd waren op een geldige afspraak. Ook een aanvullende vordering tot nakoming van onderhoudsafspraken werd afgewezen vanwege kwijting.
Het hof bekrachtigde het eerdere vonnis van de rechtbank Midden-Nederland en veroordeelde appellante in de proceskosten na cassatie.