Appellant sloot in 2011 een arbeidsongeschiktheidsverzekering af bij Cardif en vulde daarbij gezondheidsverklaringen in waarin hij ontkende ooit psychische klachten te hebben gehad. In werkelijkheid was appellant in 2008 en 2009 behandeld voor angst- en dwangklachten bij de GGZ, wat hij niet had gemeld. Cardif wees later een claim af en voegde een uitsluitingsclausule voor psychopathologie toe.
De rechtbank wees de vorderingen van appellant af, maar het hof vernietigde het oordeel dat appellant de erkenning van de mededelingsplicht had gedaan. Het hof oordeelde dat appellant zijn mededelingsplicht had geschonden door onjuiste antwoorden te geven op vragen over psychische klachten. Een redelijk handelend verzekeraar zou bij kennis van de ware stand van zaken een uitsluitingsclausule voor psychische aandoeningen hebben opgenomen.
Het hof baseerde zich op een onafhankelijk medisch advies dat de klachten van appellant risicoverhogend waren voor arbeidsongeschiktheid. Appellant had dit advies onvoldoende gemotiveerd weersproken. De vorderingen tot het verwijderen van de clausule en toekenning van uitkering werden afgewezen. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van hoger beroep en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd onder verbetering van gronden.