Belanghebbende, een piloot met Nederlandse nationaliteit, werkte vanaf 2013 in Turkije en ontving loon en pensioenuitkeringen. Hij had een duurzaam tehuis in zowel Nederland als Turkije en was op grond van nationale wetgeving inwoner van beide staten. Het geschil betrof de vraag in welk land zijn fiscale woonplaats lag volgens het belastingverdrag tussen Nederland en Turkije.
Het hof oordeelde dat het middelpunt van de levensbelangen van belanghebbende in 2015 en 2016 in Nederland lag. Dit was gebaseerd op het feit dat zijn gezin (echtgenote en minderjarige dochter) in Nederland woonde, hij onroerende zaken en bankrekeningen in Nederland behield, en dat hij en zijn echtgenote geen duurzaam gescheiden leven leidden. Zijn werk en verblijf in Turkije stonden niet in de weg aan deze conclusie.
De inspecteur had de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd omdat hij meende dat belanghebbende in Nederland woonde en zijn pensioeninkomsten in Nederland belastbaar waren. Belanghebbende voerde aan dat hij fiscaal inwoner van Turkije was. Het hof verwierp dit verweer en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep ongegrond werd verklaard.
Het hof wees ook proceskostenveroordeling af en liet het griffierecht voor rekening van belanghebbende. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.