ECLI:NL:CRVB:2021:3273
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning gehuwdenpensioen op grond van AOW wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven
Appellant, gehuwd in China en woonachtig in Nederland sinds 1991, kreeg in 2018 een gehuwdenpensioen toegekend door de Sociale Verzekeringsbank (Svb). Hij voerde aan duurzaam gescheiden te leven van zijn echtgenote, die in China verblijft en geen toelating tot Nederland kreeg. De rechtbank oordeelde echter dat appellant en zijn echtgenote gemiddeld zes maanden per jaar samen waren en contact onderhielden, waardoor geen sprake was van duurzaam gescheiden leven.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad hanteerde de criteria uit vaste rechtspraak, waaronder de gewilde of ongewilde verbreking van de echtelijke samenleving, en concludeerde dat appellant niet aan deze voorwaarden voldeed. De situatie moest worden beoordeeld op het moment van toekenning in oktober 2018, waarbij de feitelijke omgang en contact tussen partijen onvoldoende was om duurzaam gescheiden leven aan te nemen.
De Raad verwierp ook het discriminatieverweer van appellant ten opzichte van ongehuwde alleenstaanden, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd daarmee bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet duurzaam gescheiden leeft en daarom terecht een gehuwdenpensioen ontvangt.