Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[geïntimeerde 3] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
12.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 12 januari 2021;
- de memorie na enquête van [geïntimeerden] met producties en eiswijziging;
- de antwoordmemorie na enquête van [appellanten] met producties en eiswijziging;
- de akte uitlaten producties van [geïntimeerden]
13.De verdere beoordeling
“In een later stadium is wel een koopsom voor de activiteiten afgesproken van € 746.000,00”. In de akte wordt voorts gesteld dat dit aan de zijde van [de vennootschap 5] niet is verklaard, maar juist is betwist dat die koopsom zou zijn afgesproken (productie 16 bij cva). Voorts heeft [persoon E] ook in een e-mailbericht aan de advocaat van [geïntimeerden] op 3 maart 2016 verklaard dat het onjuist is dat hij gezegd zou hebben dat er een koopsom van € 746.000,- is overeengekomen (productie 15 bij cva). Het hof komt gelet hierop in zoverre terug op wat zij hierover in het tussenarrest van 16 oktober 2018 bij r.o. 6.6.4. onder b heeft overwogen.