In deze civiele zaak staat centraal of tussen [de B.V.] en CVC Projecten BVBA een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen en wie de contractspartijen zijn. [de B.V.] voerde aan dat zij werkzaamheden voor elektra-installaties van 40 vakantiewoningen heeft verricht en daarvoor onbetaalde facturen vordert. CVC betwistte het bestaan van een overeenkomst en stelde dat zij slechts namens Comec B.V. handelde.
Het hof oordeelde dat CVC zelf als contractspartij moest worden beschouwd, omdat uit de communicatie en facturatie bleek dat partijen optraden alsof CVC de wederpartij was. Er was geen aanwijzing dat CVC als vertegenwoordiger van Comec B.V. handelde. Vervolgens stelde het hof vast dat een aannemingsovereenkomst op regiebasis was gesloten, waarbij de prijs niet vooraf was bepaald maar marktconform en redelijk was.
De facturen betroffen werkzaamheden aan een proefwoning, die voldoende waren gespecificeerd en niet gemotiveerd betwist door CVC. De vordering tot betaling van € 10.592,59 plus wettelijke handelsrente werd daarom toegewezen. De kantonrechter had ten onrechte de vordering afgewezen wegens onvoldoende bewijs van de overeenkomst. Het hof veroordeelde CVC ook in de proceskosten en wees de vordering tot waarmerking als Europese Executoriale titel af omdat het een betwiste vordering betreft.