ECLI:NL:GHSHE:2022:3202

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 september 2022
Publicatiedatum
20 september 2022
Zaaknummer
21/00504 en 21/00505
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugwijzing aanslag inkomstenbelasting 2013 wegens termijnoverschrijding bezwaar

De inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2013 op en wees bezwaar tegen deze aanslag niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende maakte beroep tegen deze beslissing bij de rechtbank, die de beroepen gegrond verklaarde en de inspecteur opdroeg opnieuw uitspraak te doen met inachtneming van haar oordeel.

Het hof oordeelt dat belanghebbende correct is uitgenodigd voor de zitting, maar niet is verschenen. De rechtbank stelde vast dat de inspecteur belanghebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over de reden van de te late indiening van het bezwaar, wat volgens een arrest van de Hoge Raad uit 2019 wel vereist is.

Het hof bevestigt daarom de terugwijzing van de zaak naar de inspecteur voor een nieuwe beslissing op bezwaar, waarbij belanghebbende de gelegenheid moet krijgen zich uit te laten over de termijnoverschrijding. Het hof komt niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de aanslag of het verzoek om ambtshalve vermindering en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegekend en het griffierecht wordt niet vergoed.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de terugwijzing van de aanslag naar de inspecteur wegens het niet horen van belanghebbende over de termijnoverschrijding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 21/00504 en 21/00505
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 januari 2021, nummers BRE 19/4069 en 20/4971 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2013 (hierna: IB/PVV 2013) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan. Het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2013 is niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen de beschikking waarin het verzoek om ambtshalve vermindering van die aanslag is afgewezen, is ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank een brief gestuurd naar de Hoge Raad. Deze brief is aangemerkt als hogerberoepschrift tegen de uitspraak van de rechtbank en doorgestuurd naar het hof. De inspecteur heeft geen inhoudelijk verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende is niet verschenen.
De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij brief van 8 juni 2022 heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met nummer [nummer] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs.
Hieruit volgt dat de postmedewerker op het door belanghebbende opgegeven adres geen gehoor heeft gekregen. Daarop heeft de postmedewerker op 9 juni 2022 het poststuk afgeleverd op een PostNL-locatie. Het poststuk is niet afgehaald en is vervolgens aan het hof retour gezonden.
De griffier heeft onderzocht of belanghebbende op de dag van verzending of uiterlijk een week daarna in de Basisregistratie Personen (BRP) stond ingeschreven op het op het stuk vermelde adres. Dat bleek het geval te zijn.
De griffier heeft naar aanleiding van de retourontvangst van de uitnodiging deze op 11 juli 2022 per gewone post naar hetzelfde adres verzonden.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de aanslag niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het bezwaar is vervolgens tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dat verzoek is op 11 juli 2019 afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzingsbeschikking is ongegrond verklaard.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de inspecteur opgedragen opnieuw uitspraken op bezwaar te doen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de uitspraak van de rechtbank juist is.
3.2.
Belanghebbende concludeert – naar het hof begrijpt – tot vernietiging van de aanslag IB/PVV 2013. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
4.0.
Gelet op de onder 1.5. vermelde stukken is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.
Ten aanzien van het geschil
4.1.
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“2.7. Belanghebbende stelt onder meer dat zij de aanslag niet heeft ontvangen en voor het
eerst middels de aanmaning op de hoogte is geraakt van deze aanslag. Voorts is
belanghebbende van mening dat zij ten onrechte niet is gehoord. De inspecteur stelt dat het
bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat terecht van het horen is afgezien.
2.8.
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst ingaan op de gevolgen van
het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 2019. ECLI:NL:HR:2019:1595. In dat arrest is
geoordeeld dat de door de heffingsambtenaar in acht te nemen zorgvuldigheid meebrengt dat
hij niet het bezwaar niet-ontvankelijk mocht verklaren voordat hij belanghebbende in de
gelegenheid had gesteld zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de
termijnoverschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank geldt hetzelfde voor de Inspecteur.
De rechtbank stelt vast dat uit het procesdossier niet volgt dat belanghebbende door de
inspecteur in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de reden dat het bezwaar is
ingediend (uitgaande van de dagtekening van de aanslag) nadat de bezwaartermijn was
verstreken. Het had wel op de weg van de inspecteur gelegen om dat te doen. Nu de
inspecteur dat ten onrechte heeft nagelaten en belanghebbende in het beroepschrift in de
betreffende zaak heeft verzocht om terugwijzing naar de inspecteur, zal de rechtbank aan dat
verzoek voldoen en deze zaak terugwijzen naar de inspecteur. Datzelfde zal de rechtbank
doen in de zaak tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. om reden
dat de onderhavige zaken, die beide betrekking hebben op de inkomstenbelasting 2013. dan
in dezelfde procedurele fase blijven. Dit betekent dat in beide zaken de uitspaak op bezwaar
wordt vernietigd. zodat zowel inzake het bezwaar teaen de aanslag inkomstenbelasting 2013
als inzake het bezwaar tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering
opnieuw moet worden beslist op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak.”
4.2.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op juiste gronden een juiste beslissing genomen. Uit het hogerberoepschrift blijkt ook niet dat belanghebbende bezwaar heeft tegen de terugwijzing naar de inspecteur.
Het vorenstaande betekent dat het hof niet toekomt aan een inhoudelijk oordeel over de aanslag IB/PVV 2013 en de afwijzingsbeschikking ambtshalve vermindering.
Tussenconclusie
4.3.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.4.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.5.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, M.R.T. Pauwels en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier verhinderd is deze te ondertekenen.
De griffier, De voorzitter,
E.J.M. Bohnen L.B.M. Klein Tank
(verhinderd)
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.