Belanghebbende exploiteerde sinds 2009 een eenmanszaak gericht op innovatie in elektrisch vervoer. Voor het jaar 2015 werd betwist of de verrichte werkzaamheden een bron van inkomen vormden, met name of er sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. De inspecteur weigerde het negatieve resultaat uit onderneming te erkennen en stelde dat de activiteiten geen bron van inkomen waren.
Het hof stelde vast dat aan de subjectieve voorwaarden (activiteiten in economisch verkeer en oogmerk voordeel te behalen) was voldaan, maar dat het geschil zich richtte op de objectieve voordeelsverwachting. Belanghebbende voerde aan dat innovatie een lange opstartperiode kent en wees op positieve ontwikkelingen en een businessplan voor een evenement. De inspecteur betwistte dit en wees op jarenlange verliezen en het ontbreken van concrete bewijsstukken.
Het hof concludeerde dat de urenverdeling en projecten in 2015, waaronder een evenement, een re-energyproject en een eigen productontwikkeling, onvoldoende concreet waren om een objectieve voordeelsverwachting aan te nemen. Het ontbreken van businessplannen, opdrachtgevers en contracten, evenals het niet doorgaan van het evenement, waren doorslaggevend. Ook de beperkte winst in 2020 en 2021 woog niet op tegen de eerdere verliezen en kon niet worden toegerekend aan de werkzaamheden in 2015.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het griffierecht werd niet vergoed en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.