Belanghebbende was eigenaar van een woonhuis uit 2017 met een inhoud van 613 m3, inclusief garage en carport, gelegen op een perceel van 458 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2018 vast op €380.000, welke waarde ook gehandhaafd werd na bezwaar en door de rechtbank.
Belanghebbende betwistte de waarde en stelde dat deze maximaal €327.000 zou moeten zijn, onder meer vanwege de slechte ligging aan de N278 en geluidsoverlast. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport en een nieuwe taxatiematrix, waarbij rekening werd gehouden met vergelijkingspanden, de slechte ligging, en kwaliteitsniveau van de woning.
Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De vergelijkingsmethode was zorgvuldig toegepast, de slechte ligging was adequaat gewaardeerd, en de kwaliteit en onderhoudstoestand van de woning waren juist ingeschat. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het hof wees ook proceskostenveroordeling af en liet het griffierecht voor rekening van belanghebbende.