ECLI:NL:HR:2022:1509

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 oktober 2022
Publicatiedatum
20 oktober 2022
Zaaknummer
22/03034
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie in het belang der wet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 lid 1 Wet ROArt. 2h lid 1 aanhef en letter a of b Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenarenArt. 5 Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid beëdiging raadsheren ondanks onvolkomenheden formulier

In deze zaak stond centraal of uitspraken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vernietigd moeten worden vanwege onvolkomenheden bij de beëdiging van raadsheren en raadsheren-plaatsvervangers. Deze onvolkomenheden bestonden uit het gebruik van een eedformulier bestemd voor rijksambtenaren in plaats van het juiste formulier voor rechterlijke ambtenaren.

De Procureur-Generaal stelde cassatie in het belang der wet in tegen het arrest van het hof dat een hogere vergoeding toekende aan belanghebbende. Het hof had het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het ging om immateriële schadevergoeding.

De Hoge Raad oordeelde dat het gebruik van het verkeerde eedformulier bij beëdiging geen reden is om de uitspraak te vernietigen. Dit oordeel is gebaseerd op een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2022:1438) waarin de Hoge Raad de geldigheid van beëdiging ondanks dergelijke onvolkomenheden bevestigde. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de rechtsgeldigheid van de uitspraken van het hof.

De uitspraak benadrukt dat de formele onvolkomenheid bij de beëdiging niet leidt tot nietigheid van de rechterlijke beslissing, mede omdat de procedure inmiddels is aangepast om herhaling te voorkomen. Dit arrest draagt bij aan rechtszekerheid en bevestigt de geldigheid van rechterlijke uitspraken ondanks procedurele fouten bij beëdiging.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat de onvolkomenheden bij de beëdiging geen vernietiging van de uitspraak rechtvaardigen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/03034
Datum21 oktober 2022
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie in het belang der wet van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 maart 2020, nrs. 19/00347 tot en met 19/00351 [1] .

1.Geding bij het Hof

1.1
In hoger beroep waren in geschil de hoogte van de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding voor immateriële schade die de Inspecteur moest betalen aan de belanghebbende en de hoogte van de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding van de voor het beroep gemaakte proceskosten.
1.2
Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, maar alleen voor zover deze betrekking heeft op de beslissing over de door de Inspecteur aan de belanghebbende te vergoeden immateriële schade, en de Inspecteur veroordeeld tot een hogere vergoeding van die schade. Verder heeft het Hof de Inspecteur veroordeeld in de kosten die belanghebbende heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep.
1.3
De uitspraak van het Hof is onherroepelijk geworden.

2.Geding in cassatie

De Procureur-Generaal F.W. Bleichrodt heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie in het belang der wet ingesteld. [2] De vordering strekt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, zonder dat het te wijzen arrest nadeel toebrengt aan de rechten die door partijen zijn verkregen.

3.Waar het in deze zaak om gaat

3.1
De Procureur-Generaal heeft cassatie in het belang der wet ingesteld omdat bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch onvolkomenheden zijn geconstateerd bij de beëdiging van een aantal raadsheren en raadsheren-plaatsvervanger. Die onvolkomenheden bestaan eruit dat bij het afleggen van de eed of belofte gebruik is gemaakt van het formulier dat is bestemd voor een rijksambtenaar, in plaats van het formulier dat is bestemd voor de beëdiging van een rechterlijk ambtenaar. In een nieuwsbericht van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 juli 2022 is dit als volgt toegelicht: [3]
“De afgelopen dagen zijn 16 raadsheren (rechters) bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch opnieuw beëdigd. Dit is gebeurd omdat hun eerdere beëdiging niet helemaal op de juiste manier was verlopen. De procedure is inmiddels aangepast om dit in de toekomst te voorkomen. Het betreft raadsheren in het strafrecht en het belastingrecht.
Recent is gebleken dat de beëdiging van een aantal raadsheren bij hun aanstelling aan het hof niet helemaal is verlopen zoals het hoort. Bij het afleggen van de ambtseed is niet de juiste tekst gebruikt. Er is een ambtseed voor rechterlijk ambtenaren (rechters en raadsheren) en één voor gerechtsambtenaren (overige medewerkers). In enkele gevallen is de eed voor medewerkers per abuis bij de raadsheren gebruikt.”
3.2
Over de beëdiging van een van de raadsheren die de bestreden uitspraak hebben gedaan, houdt de vordering van de Procureur-Generaal onder 3.2 het volgende in:
“Uit door mij opgevraagde inlichtingen is gebleken dat de een van de raadsheren bij de beëdiging een eed heeft afgelegd waarbij niet de juiste formule is gebruikt. Het betreft een raadsheer-plaatsvervanger die bij koninklijk besluit van 19 juni 2018 is benoemd met als datum van indiensttreding de datum van beëdiging. In het proces-verbaal van de beëdigingszitting van 4 juli 2018 is vermeld dat op de bij de wet bepaalde wijze de voorgeschreven eed is afgelegd, maar uit het daarbij opgemaakte formulier voor het afleggen van de eed blijkt dat de eed als bedoeld in de bijlage genoemd in art. 5 van Pro het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017 is afgelegd. De voorzitter van de beëdigingskamer heeft verklaard dat hij de formulering van de eed zoals vermeld op het formulier heeft voorgehouden. Het gebrek in de beëdiging is veroorzaakt doordat bij de samenstelling van het beëdigingsdossier abusievelijk het verkeerde formulier – dat voor de gerechtsambtenaar, en niet dat voor de rechterlijk ambtenaar – is opgenomen. Vervolgens is de tekst van dat formulier voorgehouden en ondertekend.”

4.Beoordeling van het middel

4.1
Het middel stelt - kort gezegd - de vraag aan de orde of een uitspraak moet worden vernietigd als die uitspraak alleen of mede is gewezen door een raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger die de eed of de belofte heeft afgelegd overeenkomstig het formulier dat is bestemd voor een rijksambtenaar, waaronder ook een gerechtsambtenaar is te verstaan, in plaats van overeenkomstig het formulier dat is bestemd voor een rechterlijk ambtenaar.
4.2
Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 5.2.1 tot en met 5.3 en 5.4.2 tot en met 5.8 van het arrest met nummer 22/02977 dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken (ECLI:NL:HR:2022:1438).
4.3
Opmerking verdient nog het volgende. Indien in belastingzaken zich een geval voordoet als beschreven in rechtsoverweging 5.9.1 van het hiervoor in 4.2 bedoelde arrest, heeft de beëdiging van de raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger, op de grond die is vermeld in rechtsoverweging 5.9.2 van dat arrest, eveneens plaatsgevonden in overeenstemming met artikel 2h, lid 1, aanhef, letter a of b, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, E.F. Faase, J.A.R. van Eijsden en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2022.

Voetnoten

3.Dit nieuwsbericht is weergegeven in de vordering van de Procureur-Generaal, onder 1.2.