Belanghebbende was in hoger beroep gegaan tegen een uitspraak van de rechtbank over vervolgingskosten in verband met een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet binnen de wettelijke termijn was betaald. Belanghebbende kwam hiertegen in verzet.
Tijdens het verzet stelde belanghebbende onder meer dat de raadsheer die de eerdere uitspraak deed niet correct was beëdigd, maar dit verweer faalde op grond van een recent arrest van de Hoge Raad. Het hof constateerde dat de gemachtigde van belanghebbende de nota griffierecht en herinnering had ontvangen en bewust niet had betaald, en dat belanghebbende zelf ook niet had betaald.
Het hof oordeelde dat belanghebbende terecht niet-ontvankelijk was verklaard in het hoger beroep vanwege het niet voldoen van het griffierecht. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 9 november 2022.