Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
Bij vonnis van 13 september 2022 is [B.V. A] vervolgens op verzoek van [B.V. 1] en [B.V. 2] failliet verklaard. Daartegen is [B.V. A - (indirect) bestuurder 2] in verzet gegaan. Bij vonnis van 19 oktober 2022 heeft de rechtbank dat verzet gegrond verklaard en de faillietverklaring van [B.V. A] vernietigd. Vervolgens is [B.V. A - (indirect) bestuurder 1] tegen dat vonnis in hoger beroep gegaan, en niet de schuldeisers [B.V. 2] en [B.V. 1] , zoals het hof ook tijdens de mondelinge behandeling aan [B.V. A - (indirect) bestuurder 1] en haar raadsman heeft voorgehouden. Voor die situatie kent de Faillissementswet in de artikelen 8 tot en met 12 Fw, in het bijzonder artikel 11 lid 2 Fw Pro, echter niet de mogelijkheid van hoger beroep. Het gesloten systeem van rechtsmiddelen brengt dan ook met zich dat [B.V. A] als schuldenaar geen hoger beroep kan instellen tegen een toewijzing van haar verzoek tot vernietiging van de faillietverklaring. Ook om deze reden is [B.V. A] niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Naar het oordeel van het hof kan verder ook niet worden gezegd dat [B.V. A - (indirect) bestuurder 2] ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de nieuwe grieven als opgenomen in de spreekaantekeningen alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep worden betrokken.
‘aan de beraadslaging en besluitvorming[hof: binnen het bestuur]
indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming’. Vergelijk artikel 2:239 lid 5 en Pro lid 6 BW. Het belang van mevrouw [betrokkene 2] / [B.V. 2] om [B.V. A] failliet te laten verklaren is tegenstrijdig met het belang van [B.V. A] om niet failliet te (willen) gaan. De AVA van [B.V. A] heeft niet in ieder geval op de voorgeschreven wijze (vergelijk artikel 18 lid 1 onder Pro b van de Statuten t.a.v. “ontbinding” en de in dat verband vereiste gekwalificeerde meerderheid van tweederde van de geldige stemmen) besloten dat faillissement de voorkeur verdiende.
Vanwege dit tegenstrijdig belang, was het voor de medebestuurder [betrokkene 1] ( [B.V. 3] ) noodzakelijk om zich te verzetten tegen de faillietverklaring en op te treden voor de vennootschap.
De overige belanghebbenden zullen de eigen kosten zelf dienen te dragen, nu hun deelname voor de beoordeling in hoger beroep niet noodzakelijk was (zie artikel 289 Rv Pro).