De zaak betreft een hoger beroep van de rechthebbende tegen de beschikking van de rechtbank Limburg waarin het verzoek tot ontslag van de huidige bewindvoerder en benoeming van een opvolgend bewindvoerder werd afgewezen. De bewindvoering was ingesteld vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van de rechthebbende sinds 2013.
De rechthebbende stelde dat de bewindvoerder haar tegenwerkt, onvoldoende uitleg geeft en haar geen leefgeld verstrekt ondanks schuldenvrijheid. Zij ervaart stress en lichamelijk ongemak door de slechte verstandhouding en verwijst naar jurisprudentie over het belang van vertrouwen tussen bewindvoerder en rechthebbende. De bewindvoerder betwistte deze stellingen en benadrukte dat hij zijn taken naar behoren vervult, schulden heeft afgelost en extra bedragen heeft uitgekeerd. Ook wees hij op de beperkingen door corona en het aanbod voor contact.
Het hof overwoog dat er geen gewichtige redenen zijn voor ontslag van de bewindvoerder. De rechthebbende had onvoldoende nieuwe feiten aangevoerd en de problemen lijken voort te komen uit haar algemene moeilijkheid om onder bewind te staan. De bewindvoerder vervult zijn taken adequaat en er is persoonlijk contact. De wens tot wijziging van bewindvoerder zonder meer is onvoldoende. Het hof bekrachtigde daarom de bestreden beschikking en wees het beroep af.